elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: muren

muren , muren , voor: metselen, in het Spreekwoord: Men het net zooveel van ’t staigêrn as van ’t muren = men kan het eene zoo goed ter hand nemen als het andere, ’t geeft beide evenveel; vooral van huishoudelijke bezigheden gezegd. Zweedsch muren, Hoogduitsch mauern = metselen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
muren , mieren , met half toegeknepen ogen zien, scherp turen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
muren , muure , in drab roeren
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
muren , muure , werkwoord , roeren, vertroebelen (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal