elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: neetoor

neetoor , [vervelend persoon] , neetoor , voor kitteloorig mensch.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
neetoor , neetoor , (mannelijk) , neetoor.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
neetoor , neetoor , kitteloorig, bedilziek mensch; ook Noord-Brabant
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
neetoor  , neetoeër , albediller.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
neetoor , niètoor , neetoor; grimmig, licht geraakt mens
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
neetoor , neet-oor , zelfstandig naamwoord de , Plaaggeest, dwarsdrijver.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
neetoor , neetoor , de , scheldwoord, veelal zonder betekenis, maar bestemd voor mensen met afwijkend gedrag, zoals baldadig, ondeugend, geniepig, sacherijnig, licht geraakt, zuinig Dat jonk is toch wel zo’n lillijke neetoor geniepig (Hoh), Gao toch weg, neetoor (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
neetoor , neetoor , kwaadaardig ventje. Zon neetoor, iej kunt ’m niks vraogn of iej krieg ’n dwars antwoord.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
neetoor , nietoor , neetoor , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die niet bep. scheutig is 2. vervelende, vitzieke vent
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
neetoor , neeroor , zelfstandig naamwoord , neeroore , neeroortie , neetoor, humeurig persoon Zie neetnek
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
neetoor , neetoor , zelfstandig naamwoord , plaaggeest, lastpost (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
neetoor , neetoor , zelfstandig naamwoord , pestkop, treiteraar, judas, plager; Anoniem – 1959 – ; De meulesteller was unne neetoor; die Nillus wel 'n bietje zocht; Om dettie bij hum, gin sigaore; of 'n rulleke pruimtebak kocht. (...); Mar de meulesteller was nie te genaoke; die liet zun eige nie vur gleupert en neetoor uitmaoke. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie); Cees Robben – Lôôpt naor de hel neet-ôôr... (19730608); Cees Robben – ’t zen neet-ôôren van jong (1650115); WBD III.1.4:82 'neetoor' = persoon met een lastig karakter; WBD III.1.4:102 'neetoortje' = lastig kind; WBD III.1.4:409 'neetoor' = geniepige plager; Cornelis Verhoeven: NEETOOR m - pestkop, plager, iemand die spijkers op laag water zoekt. (= niet-oor? z.a.); Antw. NEETOOR zelfstandig naamwoord, vrouwelijk. - (met zachtl. e en schrpl. o) - kregelig, vitziek, kitteloorig persoon. WNT NEETOOR - in versch. bekend als scheldwoord vóór een kitteloorig, vitziek, bedillerig iemand.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal