elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nerf

nerf , nerf , (mannelijk) , nerf.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
nerf , nerve , (vrouwelijk) , nerf.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nerf , nerf , mannelijk , Erve, erf, nerf, nerve, bij Kiliaan superspicies cutis etc. Wij gebruiken dit woord voor de oppervlakte van sommige dingen als van leder en van den grond, wanneer het de bovenste vrugtbare korst beteekent. Men zegt ook de nerf van ’t hout, bij voorb. dat hout is van een fijne nerf. [Den narf of liever den arf van eene weide of hooiland is de bovenste korst, zoo ver gras en wortelen van ’t gras zich uitstrekken; narf of arf van leer, die zijde daar ’t haar op gezeten heeft; de nerf van ’t hout is mij onbekend; de uitstekende vezelen van gezaagde en nog niet glad geschaafde planken noemt men in Twente den arf De woorden de uitstekende tot en met den arf zijn door dezelfde hand later aan de commentaar toegevoegd.; in Twente zegt men: fijn van draad.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
nerf , narf , zelfstandig naamwoord de , Verouderde vorm van nerf.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nerf , nerve , nerf.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nerf , narf , naarf , de , narven , Ook naarf (Kop van Drenthe) = 1. nerf Molslaot met een witte narf is eetbaar (Oos) 2. litteken (Zuidoost-Drenthe) Hij had een lillijke narf op de arm, waor het biest hum beten had (Pdh) 3. inkeping, barst, kras (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Der zat een narf in het holt scheur (Wes), Maak even een narfien in het holt inkeping (Sle), (...) aj dan je handen neit goud waskeden, dan kreej van dei narven in de handen (Pei) 4. rimpel (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nerf , narf , narft, naarf, narve , de, het , narven , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook narft (in en rond Sle), naarf (Zuidwest-Drenthe), narve (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. smerige plek op de huid Hie wast zuk nooit, hie hef een narf op de kop liggen (Bor), Hij har de zwarte narven in de nekke (Klv), Wat een smeerlap is dat, de narven staot hum op de hoed (Coe) 2. soort schurft Die koe hef een hiele narf op de pokkel (Sle), Hie hef ter narven van op de hoed van iemand met een huidziekte (Sle) 3. de huid (Zuidwest-Drenthe, zuid) Die was zo kommen te vallen, die had het narf van de elleboog schaafd (Geb), z. ook arf III
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nerf , erft , 1) opperhuid, nerf; 2) de zode van het weiland.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
nerf , närf , nerf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nerf , narve , naarve, narf , zelfstandig naamwoord , de 1. nerf 2. draad van het hout 3. glans van nieuwheid, frisheid 4. lijn, groef, plooi, rimpel in de huid 5. juiste, goede lijn in de bouw van een paard, d.i. in het model 6. smerige, vaste vlek op de huid die ontstaat doordat men zich niet goed wast
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nerf , närve , (zelfstandig naamwoord) , nerf.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nerf , nèrf , zelfstandig naamwoord , opperhuid (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nerf , nèèrf , zelfstandig naamwoord , nerf, 'bladaojer'; WBD huidschimmelziekte (bij koeien), ook genoemd 'kòjeghèd'; WBD 'nèèref' - nerf, de nerflaag, kant v.d. huid waar haar heeft gezeten. WBD 'nèèrefkaant' - nerfkant, behaarde kant v.e. huid (II 595); WBD 'kalfsnèèref' - kalfsnerf (bep. leersoort) (II 663); WBD 'slangenèèref ' - slangenerf (bep. leersoort); WBD 'vissenèèref' - vissenerf (bep. leersoort); WBD 'genèèreft lèèr' - generft leer; A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord, mannelijk. 'nerf(t)'- de hardere, van oneffenheden voorziene buitenkant van leer; 2) begroeide bovengrond, bovenkorst van wei- of hooiland.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal