elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: neuken

neuken , neuken , stooten, futselen, in drift wegwerpen. Van hier wegneuken en opneuker voor opstopper, oorveeg.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
neuken , neuken , = naien (naaien), minder algemeen: prikken, feugêln en fieken; West-Vlaamsch neuken = futuere, bij Kil. bekennen = coire, concumbere, Engelsch to nuck; Oostfriesch fögeln, (ook nöken), letterlijk: gelijk een vogel doet; Holsteinsch, Pommersch: fikken. Het eerste woord zal zooveel zijn als: stooten, en nauw verwant met: nokken, en: nukken. Vgl.’t West-Vlaamsch neuk = harde duw, stoot of slag; neuken, ook nukken = een harden duw, stoot of slag geven. (De Bo). – neuk in ’t napke! zooveel als: mis is ’t, ’t loopt op niets uit, en ook: gekheid, uitvluchten, voorwendsels, draaierij! – geneuk, fig. voor: getalm, getreuzel, en ook = gebabbel, gezanik, gezeur: wat wij’ mit al dat geneuk! (Het behoeft nauwelijks gezegd dat dergelijke woorden en uitdrukkingen alleen bij de laagste klasse in zwang zijn.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
neuken , neuke , neuken (geslachtsgemeenschap hebben); Dé nùkt d’r nie án! Dat is niet belangrijk, dat speelt geen rol. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
neuken , neujke , werkwoord , neuken. Voor het gebruik zie: naaje. 1. ’n Neukmènneke is een klein ventje. 2. Weggooien: We hèn hil de rotzooi bùite genukt. 3. Schelen: Dè nukt me niks. Kan me niet schelen. Zegswijze: Dè nukt de baoker nie, as ’t kènd mar gezònd is. Het doet er niet toe hoe, als we ons doel maar bereiken. 5. Naajt ’m meej al oe geneuk. Donder op met je pretenties. 6. Hil ’t geneuk was ’r. Heel ’t “voornaam”, ’t “groot”, was er.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
neuken , neuken , zwak werkwoord, overgankelijk , (weinig gebr., grof) = 1. gemeenschap hebben De zeune van de boer laag mit de meid in het heui te neuken (Dwi) 2. sigaret etc. aansteken aan andermans sigaret (Zuidwest-Drenthe) Kunne wij even neuken, want ik heb mien lucefars nat ekregen deur de regen (Dwij), z. ook bokken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
neuken , neuken , 1) een slag of stoot geven; 2) bezig zijn op een wijze, die anderen verveelt: ligtr nie te neuken, schei uit, doe niet zo vervelend.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
neuken , neuken , (plat) zaniken, klieren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
neuken , neuken , werkwoord , 1. neuken 2. zeuren, zaniken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
neuken , neuke , verneuke , verneuken, foppen, bedriegen, zeuren , d’r tussenuit neuke = weglopen- toen ’t moeilijk wier nukte-nie er tussenuit = toen het moeilijk werd ging hij er vandoor-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
neuken , neuke , werkwoord , vallen (West-Brabant; Land van Cuijk); neuke; gooien, snel gaan, er toe doen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
neuken , [prutsen] , näöke , näöktj, näökdje, genäöktj , 1. prutsen, frutselen 2. raken , Waat zits se dao toch te näöke?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
neuken , neuke , zwak werkwoord , neuke - nukte - genukt , met vocaalkrimping, behalve in inf., praes. meervoud, praes. ik-vorm; - uitmaken, deren; weggooien; Et nukt nie - het doet er niet toe, het maakt niets uit; Pierre van Beek: Nukt dieje rommel mar in den hoek - neergooien; Cees Robben – Luste göllie sewèèle ’n tas koffie.. Ik neuk ‘m aanders toch mar in den gôôtsteen.. (19720804); Frans Verbunt: dè nukt de baoker nie, ast kiendje mar gezond is; Vunderink - Den dèksel eraaf, èn toen hèb ik die troep/ gelèèk in die pan meej soep genukt. (Henriëtte Vunderink, haovermoutepap, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD III.2.2:105 'neuken' = geslachtsgemeenschap hebben; Hees 't neuk, geneuk, nuksel (V:39); Jan Naaijkens, Dè's Biks: neujke ww - neuken; weggooien, schelen; Antw. NEUKEN- bedriegen, foppen; - aan = knutselen, knoeien; kijven, grollen; telen; Cornelis Verhoeven: NEUKEN ov.ww - plat woord voor: neergooien: ik nukte 't geléék tege de grond. Ook onpers. en met ontkenning gebruikt om onverschilligheid uit te drukken: dè nukt nie - dat maakt niets uit, dat kan me niets schelen. ZAFR. NEUK, ww. (geneuk) (plat) 1. slaan, veral met die vuis; 2. lol, sanik; hinder: 'Hulle neuk al die heeldag met my'. WNT NEUKEN - 6) van zaken: hinderen, er iets toe doen; dè nukt nie; samentrekking van dat neukt niet; dat maakt niks uit; Cees Robben – ’n Pond zaod vur m’n vink... Wit of zwart, menneke... Dè-nukt-nie.. Z’is blend... (19721222); nukt;' et nukt nie - het doet er niet toe, het maakt niets uit gez. Dè nukt de baoker nie, ast kiendje mar gezond is. - Dat maakt de baker niets uit, als ’t kindje maar gezond is; Cees Robben: Dè nukt nie; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: dè nukt de baoker nie, ast kiendje raar gezond is - dat is van ondergeschikt belang; tegenwoordige tijd sing. 3e pers. van 'neuke', met vocaalkrimping; Jan Naaijkens, Dè's Biks: dè nukt de baoker nie, as ...; Hees wa nukt'a (II:10 + III:9)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal