elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nieuwelijk

nieuwelijk , [verdrietig] , neiïg , neilîk, nijelîk , verdrietig, knorrig, van kleine kinderen, in Westerw. (Gron.) neisgierîg.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nieuwelijk , nieuwelijk , nuwelijk , (bijwoord) , Daarnaast nuwelijk. In de uitdr. nuwelijk kijken, verwonderd opzien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nieuwelijk , nuwelek , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Verwonderd (alsof het iets nieuws is). | Wat koik je nuwelek. 2. Aanstellerig, mal, uitgelaten. | Wat ’n stel nuweleke moide.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nieuwelijk , nuwelek , nieuwsgierig , ik ben ’r toch nuwelek nor hoe dat da af gaot lwôôpe = ik ben er toch nieuwsgierig naar hoe dat af gaat lopen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
nieuwelijk , nuuwelek , bijvoeglijk naamwoord , nieuwsgierig (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal