elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nijdig

nijdig , [zeer begerig] , nijg , zeer begeerig. , " nijg op vleesch, pannekoek enz.; nijg om te gaan wandelen."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
nijdig , nijg , verkorting van nijdig. Men zegt: neeg gaan, voor vlug, snel gaan; ook nijg werken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
nijdig , niedîg , nijdig; da’s ’n niedîg dinktje = een net en aardig werktuigje, enz.; ’n niedîg hodje (hoedje), petje, enz., het tegengestelde van: lomp, zwaar, groot, onhandig, altijd iets dat aan den kleinen kant is en zoodoende net staat. Noordfriesch nijdlick = beperkt, eng; Hoogduitsch niedlich = lief, behagelijk, net.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nijdig , noidig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Nijdig. Zegswijze ’t is noidig, het is pijnlijk, teleurstellend, het komt hard aan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nijdig , nèèg , bijvoeglijk naamwoord , nijdig, driftig. Kiske Tuut waar ’n nèèg mènneke. Bè d’irste scheejt zat-ie al òp de kaast.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
nijdig , niedig , nijdig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook nijdig = 1. nijdig Ik kan mij toch wel zo niedig maken op hum (Eli), Dei kerel was zo niedig as een spin (Vri), ...as ain aole spinne (Vtm) 2. vinnig, druk (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ze was niedig an het neeien en brak ieder keer het gaoren (Ruw), z. ook nieds
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nijdig , niedeg , nijdig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nijdig , nèèg , nijdig, driftig , És'tew nie ônsti hoef'de nie zó nèèg te doen, ik vroeg wa gèèj daor van dôcht. Als het je niet bevalt hoef je niet zo nijdig te worden, ik vroeg wat jij ervan dacht.
Wa was'sie nèèg vendaog, ik dènk dét'tie mi z'n verkiird biin ût bèd is gekomme. Wat was hij driftig vandaag, ik denk dat hij met z'n verkeerde been uit bed is gestapt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nijdig , niedig , bijvoeglijk naamwoord , nijdig: kwaad, vinnig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nijdig , nijdeg , bijvoeglijk naamwoord , 1. boos 2. flink, hard ’t Kerrewaai schiet al nijdeg op Het karwei schiet al flink op
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
nijdig , niedig , nieds , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , nijdig, kwaad. Zie ook: ellig, kwaod, lillijk, mieterig, nieds.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nijdig , néég , nijeg , bijvoeglijk naamwoord , fel, driftig (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); nijeg; opvliegerig, fel, levendig (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nijdig , nèèg , bijvoeglijk naamwoord , vurig, nijdig, pienter, driftig; Dialectenquête 1876 - nêg (ê = fr- même) en nèèg mènneke - een pienter ventje, een vurig ventje; Toe dèsse nèèg wier èn de Jaon/ en goei opmieter krêeg. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Blôot slao dôod...); Henk van Rijen:  wè wier ie wir nèèg - wat werd hij weer nijdig!; Cees Robben – Öllieje Sjennie is ’n nèèch hundje... Dè-wel.. Hij is vernoemt flèènich.. (19600122); Cees Robben – uit de hôôgte.. en wè nèèg (19611201); WBD III.1.4:31 'nijg' = vlug van begrip; 218 'nijg' = onstuimig; WBD III.1.4:143 'nijg' - flink; 227 'nijdig' = boos; 229 'nijg' = driftig; Jan Naaijkens, Dè's Biks: nèèg - bijvoeglijk naamwoord - nijdig, driftig; Antw. NIJG bvw+ bijwoord - moedig, werkzaam, driftig, geweldig, fel. (ook in Brab.) E nijg pèèrd. 'Ne nijge werkman. Loopt zoo nijg nie. Cornelis Verhoeven: NIJG (néég) bijvoeglijk naamwoord - driftig, gehaast: 'n néég mènneke; ook: vlug, op korte termijn. A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord. vr. ' nijgigheid' - haast, drift. bijvoeglijk naamwoord + bijw. ' nijg' - vurig, driftig, vlug, fel, hard. Z.a.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
nijdig , nie~dig , nijdig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal