elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nijpen

nijpen , nippen , (onpersoonlijk zwak werkwoord) , Nijpen, er op aan komen. || Het begint te nippen. As ’et nipt en weernipt (als het er toe komt, als de nood aan de man is). – Evenzo elders in N.-Holl. || As ’t nipt en weer nipt, dan gooi jij je helft over boord; mit de halve lading kenne we ’t ok wel doen, Sch. t. W. 1, 317 (Tessel). “Ik denk Sinjeur”, zei ik zo, “dat ik ook wat te zeggen heb, als het nipt en wedernipt; en dat ik oud en wijs genoeg ben om mijn gezelschap te kiezen”, WOLFF en DEKEN, Corn. Wildschut 3, 341. Vgl. ook BOUMAN 72. – Nip-nap in zeker kinderrijm. || Kinnetje, kinnetje nip-nap, mondje, mondje hap-hap, neusie, neusie snuit-uit, enz. – Vgl. VAN DALE op <i>nippeni>.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nijpen , nieppe , drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
nijpen , nèèpe , werkwoord , knijpen. ’ne Nèptang is een knijptang. Hij neep ’m as de ziekte. Hij zat lelijk in de knijp.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
nijpen , niipe , knijpen , De mister kós'sew zó gemiin in'new'wen áérm niipe, és ge nie krék di't wat'tie woow. De meester kon je zo gemeen in je arm knijpen, als je niet precies deed wat hij wou.
És d’n dieje iet teege'new hi dan nép'tie aalté mér én dé's nie schón van hum. Als die jongen iets tegen je heeft dan knijpt hij altijd en dat is niet mooi van hem.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nijpen , niepen , werkwoord , nijpen: moeilijk, beangstigend, nijpend zijn door de omstandigheden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nijpen , nijpe , werkwoord , nijp, neep, geneepe , castreren Al istie geneepe dan is ‘t toch nog een bok? Ook al is hij gecastreerd hij blijft toch een bok? Zie ook snije, lubbe, preutesnije
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
nijpen , nèìjpe , knijpen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nijpen , te nèèpe , te nijpen (schaars worden)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
nijpen , knijpe , knept , ergens bang voor zijn , toentie da gedaon had, kneepie um echt de jiste paor maonde dag en naacht = toen hij dat had gedaan, was hij echt de eerste paar maanden flink bang- wa de jiste paor maonde? hij knept-tum nou nog = wat, de eerste paar maanden? hij is nu nog bang-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
nijpen , nijpe , knijpen , ik nijp-hij nept-wij nijpe = ik knijp-hij knijpt-wij knijpen- ik neep-hij neep-wij nepe = ik kneep-hij kneep-wij knepen- iedere kjeer assie nept mottum trug nijpe = iedere keer als hij knijpt, moet je hem terugknijpen- ééj, nie nijpe ééj = , niet knijpen! hij knept de katjes in ’t donker = hij doet alles stiekem, voor de buitenwereld gedraagt hij zich heel netjes en fatsoenlijk maar pas op voor hem- ;bij figuurlijk gebruik is het dus niet:hij nept de katjes in het donker- maarhij knept de katjes in het donker-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
nijpen , néépe , werkwoord , knijpen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nijpen , nijpe , werkwoord , knijpen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nijpen , niepe , nieptj, neep, genepe , 1. nijpen, knijpen 2. knellen , Ich (k)neep ’t ’m: ik was bang.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nijpen , nèèpe , sterk werkwoord , nèèpe - nêep - geneepe , knijpen; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij nèpt; em nèèpe - in de knijp zitten, in angst zitten; Dirk Boutkan:  (blz. 40) in verl. tijd: nêep, maar: nipte gij?; Stadsnieuws: Ge meugt wèl in oew haande nèèpe dèt ammòl goed aflopt (180309); WBD III.1.2:106 'nijpen' = knijpen 106 'nijpen' = knellen; WBD III.1.3:211 nijpen' = knellen gezegd v. schoenen; OOK: 'wringen, drukken'; Antw. NIJPEN zie wdb. Fig. iemand nijpen - hem te veel doen betalen; straffen, doen uitboeten: Ge moet dieë kèrel maar is wel nijpen. Jan Naaijkens, Dè's Biks: nèèpe ww - knijpen WNT NIJPEN - Wsch. in verband staande met o.a. KNIJPEN; nêep; kneep; - verleden tijd van nèèpe; nèpt; knijpt; Hij nèpt en eugske toe. - Hij doet een oogje dicht. -2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'nèèpe', met vocaalkrimping; overlijden; Cees Robben – Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon... (19720519)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal