elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nip

nip , nip , kleine slag; iemand ’n nip over de vingers geven; Zij kreeg ’n nip over de handen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nip , nep , (zelfstandig naamwoord) , In de uitdr. an de nep wezen, aan de drank zijn, gaarne een borrel lusten. – Vgl. Ned. neb, bek, snavel, en neppen, nippen, met kleine teugen drinken (DE JAGER, Freq. I, 428).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nip , [randje, punt] , nipken , Tipje, kantje, randje, ʼn Brü̂d op ʼt nipken is zij, die binnenkort aanteekent.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
nip , nip , 1. kledingstof. 2. tik. 3. rare hoed
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
nip , nip , de , nippen , 1. tik (Zuidoost-Drents veengebied) Hij kreeg een beste nip over de neuze kreeg een standje (Klv) 2. duwtje (Zuidoost-Drents zandgebied) Nog ien nippien en dan hej al de knikkers in de pot (Oos) 3. (Zuidwest-Drenthe, noord), in Het was op de nip (of) op het nippertje wat de tijd betreft (Dwi), Die vaeze stiet op de nip op het punt van omvallen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nip , nippien , zelfstandig naamwoord , et; nipje, teugje door te nippen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nip , nip , zelfstandig naamwoord , in op ’e nip op het nippertje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nip , nipke , zelfstandig naamwoord , vinnig persoon (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal