elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: noest

noest , eust , oost , noest in het hout, is hiervan afkomstig de uitdrukking: veur den oost = tevergeefs?
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
noest , noest , (bijvoeglijk naamwoord) , wild, ongeschikt, ruw, doldriftig. Het is een noest en wrevelig dier. Het is een lomperd: altijd even noest. Het gaat er noest naar toe, d.i.: onstuimig en ongeregeld, met dolle drift en onbedachtzaam.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
noest , ousten , zie: steken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
noest , noest , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Wild, woest, doldriftig (de Wormer). || Die bonte is ’en noest en koppig beest. Och, die vent is ’en lomperd, altoos is-i even noest. Het gaat er noest (wild en ongeregeld) toe. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 72). Ook bij de 17de-eeuwse Amsterdammers vindt men het woord in deze zin. || Die Jonker die om een kleyntjen niet wilde bocken, ... sagh soo noest dat hy met syn oogen scheen op te slocken dees snoepige Kamer-katjes, ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669), 94, 22. Doch veel gewoner is de uitdr. het noest hebben, het druk hebben, waarvan de voorbeelden staan opgetekend in het Wdb. op Bredero. In de algemene taal betekent noest naarstig, vlijtig; zie de wdbb. Het woord veroudert langzamerhand.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
noest , noust , mannelijk , nöuste , noest, kwast in een plank
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
noest , noos , zelfstandig naamwoord, mannelijk , neuste , neusken , oest. Op nen hardn noos komm, met iem. op een belemmering stuiten, die voor hem moeilijk op te lossen is; op nen noos zitn, niets verder kunnen, geen geld meer hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
noest , noest , m , pollepel (om varkensvoer mee te scheppen.) [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
noest , oust , ouste , kwast of knoest in hout
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
noest , noest , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Ook: overijverig, wild, onstuimig. Zegswijze ’t noest hewwe, het moeilijk hebben, het zwaar te verduren hebben. | Hai het ’t de eerste jare in Canada puur noest had. Je loike ’t er wel puur noest mee te hewwe, dat ze jou niet vroegen hewwe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
noest , noest , kwast in het hout.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
noest , noest , bijvoeglijk naamwoord , ijverig Dat is een noeste warker (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
noest , noeste , kwast in hout, noest
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
noest , noes , noest.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
noest , noeste , zelfstandig naamwoord , de; kwast, noest in hout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
noest , noeste , (zelfstandig naamwoord) , noesien , noest, knoest.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
noest , noes , noeste, noest , knoest.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
noest , noest , zelfstandig naamwoord , kwast in het hout (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
noest , noes , nuus , nuuske , noest
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal