elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: noppen

noppen , [uitpluizen, knabbelen] , noppen , gelijk de paarden elkander door knabbelen in de manen jeuken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
noppen , noppen , (intransitief werkwoord) , het vee nopt, de koeien noppen, zegt de boer, als hij in den zomer de kale weide als bezaaid ziet met doode grasplanten, die ten gevolge van de sterke droogte, met wortel en al uit den grond getrokken worden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
noppen , nobben , (Hoogeland), voor: plukken, fig.; “dei ofgeschaiden doomnies nobben joe” = halen u de nopjes van de kleeren, minder sterk dan: roppen joe. Staat voor: noppen = zuiveren, uitpluizen, van laken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
noppen , noppen , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , 1) Bij het hengelen. Even aanbijten, van de vis. || As de vis nopt moet je dadelijk ophalen. – Evenzo bij CATS, Werken (ed. 1700), I, 577: “Treckt, visscher, treckt terwijl het nopt”. Volgens Hs. Kool werd noppen in de vorige eeuw in N.-Holl. ook gebruikt voor “het op en neer laten gaan van de dobber, wanneer de hengelaar er mee speelt om de vis tot bijten te nopen”. In deze zin is het woord ook elders nog bekend. – Noppen is eigenlijk plukken, zachtjes trekken, en vooral bekend als term bij de lakenweverij voor het zuiveren, uitpluizen van het laken (VAN DALE). In de Beemster zegt men ook van het vee, dat het nopt, wanneer dit in een droge zomer de dorre, dode grasplanten met wortel en al uit de grond trekt (BOUMAN 73). 2) Overdr. Winnen, vangen, bij het spel. In de uitdr. hij ken ze noppen, hij wint, eigenlijk hij weet (de vis) te verschalken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
noppen , noppe , werkwoord , 1. Even aanbijten (van vis), even de dobber op en neer laten gaan om de vis tot bijten te verleiden. 2. Zodanig grazen, dat – door de sterke droogte – het gras met wortel en al wordt uitgerukt. 3. Een dutje doen. 4. De bijslaap uitoefenen. Zie het N.E.W. onder noppen = afplukken, uitpluizen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
noppen , nabben , nobben, nappen, neppen, nagken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook nobben (Midden-Drenthe), nappen of neppen (Zuidwest-Drenthe, zuid), nagken (Zuidoost-Drents zandgebied) = elkaar spelend in de nek bijten van paarden De peerde napt mekaar (Coe), Wat staot die pèerde daor mooi te nagken (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
noppen , nobben , noppen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook noppen (Zuidoost-Drents zandgebied, ui) = stoten met de bek a. van paarden, die elkaar in de manen bijten As een peerd mit de tanden de manen van een aander peerd uutkamt, dan nuumt wij dat nobben (Hgv) b. van biggen die stotende bewegingen maken om het zog op gang te krijgen of te houden (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) As de motte geet liggen, moet de keugies aordig nobben veurdat de motte het zog lat scheten (Wap), De biggen nobben tegen het uur an (Row), z. ook nabben, knobben, snobben
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
noppen , noppen , (Kampereiland, Kamperveen) bijten van paarden in elkaars manen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
noppen , nöppe , werkwoord , plagen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
noppen , nòppe , zwak werkwoord , "geweven stukken van fouten ontdoen; bewerking van het geweven textiel die vooral door gehuwde dames als thuisarbeid werd verricht omdat het gehuwde dames verboden was in een fabriek te werken. 1941 - Een oude weverswoning, ergens in Oel. Aan den vaalblauw bekalkten wand speelt een oude hangklok met de koperen maneplak voor het slingerruitje „kiekeboe"", op den maatslag van den tijd: tik-tak. En onder de oude hangklok zit een jong meisje te noppen. Haar teere vingeren hanteeren behendig het “pluisijzer”, dat als een nijdig vogeltje “pik—pik” de noppen uit het weefsel trekt. (NTC; ‘Kruispolka’, Frank Klaroen = Willem van Mook – Brabantsche Novelle; 26-2-1941); Interview Jolen - 1978 - “Die was ok van Tilburg, die heej ok bij Vendoore gewèrkt, bij Vendoore-Dams. Daor hèb ik ze tenminste ötgehòld, hèhè! Wè deese daor? Jao, stukke, stukke meej nòppe èn stòppe èn zôo”. Jèjèjèjèjè!!” (transcriptie Hans Hessels, 2013); Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “Daor hèb ik ok in de apperetuur gestaon (Gooyaerts), daor hèk alles gedaon, gepèrst, gestòpt, genòpt”. (transcriptie Hans Hessels 2014); zie zie ook plèùze"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal