elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nummer

nummer , noemer , nummer. Er geen noemer van doen beteekent: het getal niet noemen, niet opgeven.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
nummer , nummer , in: hij het ’n hoog nummer in de kop, of: hij het ’n hoog nummer in ’t zin = hij meent voor zijn goed een’ hoogen prijs te kunnen bedingen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nummer , nummer , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , vgl. twijfelnummer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nummer , noemer , o , nummer.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
nummer , nommer , zelfstandig naamwoord ’t , Variant van nummer. Zegswijze nommer elf op z’n lip hewwe, een snotneus hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nummer , nómmer , nummer , ópkome vur ziene nómmer; in mil. dinst goan.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
nummer , nummer , nommer , het , nummers , Ook nommer (Zuidwest-Drenthe, ten dele als veroud. opgegeven) = 1. nummer Wij hebt een aander nummer an het hoes kregen (Exl), Wij woont op nummer zeuventiene (Flu), De keugies kregen een nummer in het oor (Hav), Zien nummer stiet niet in het telefoonboek telefoonnummer (Ndo), (fig.) Zie hebt hum flink op zien nummer zet terechtgewezen (Man) 2. nummer als rangcijfer Hie was weer nummer ien met veurdragen (Oos), As het um een borrel giet is hij altied nummer iene (Hgv), Bij de bakker muj tegenwoordig een nummer trekken (Noo), Tegenwoordig bi’j gien persoon meer, maor een nummer (Pei), Het giet op het nummer of (Sti) 3. nummer voor dienst, in loterij etc. Ik mudde veur mien nommer in dienst (Eli), Wat veur nummer heb ie op je lottie staon? (Hoh), De hoge nummers binnen al enuumd (Mep) 4. genummerde volgorde Ze hadden de sokken op nummer liggen (Gas) 5. uitgave Het leste nummer van het kerkeblad heb ik nich kregen (Bov) 6. deel van een programma, een liedje, een voordracht etc., ook vaak verkl. Dat leste nummer wil ik nog wal een maol hèuren (Sle), Jan wil nog ain nummertje weggeven (Vtm) 7. aanduiding voor een persoon Dat is een mooi nummer, as die der bij is kuj lachen (Dro), Dat is een apaart nummer (Row), Het is zo’n stille nummer negen (Rol) 8. maat Die klompen moet ik een nummer groter hebben (Klv), Die jas is wel twie nummers te groot (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nummer , noemer , nummer. welke noemer hè ollie huis?, welk huisnummer hebben jullie?
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
nummer , nommer , (Kampereiland, Kamperveen) nummer
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nummer , nommer , noemer, nummer , zelfstandig naamwoord , et 1. nummer 2. eigenaardige, vooral: grappige persoon 3. briefje, kaartje met een getal gemerkt 4. afzonderlijk deel van een programma, van een muziekuitvoering enz., liedje uit een bep. reeks 5. in een nommertien maeken seks hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nummer , nommer , zelfstandig naamwoord , nommers , nommertie , nummer Hij stong voor z’n nommer in dieñst Hij was als dienstplichtige onder de wapens
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
nummer , nômmer , noemer , nummer
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
nummer , nommer , (zelfstandig naamwoord) , nummer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nummer , noemer , huisnummer, nummer
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
nummer , noemer , zelfstandig naamwoord , nummer (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
nummer , nómmer , (mannelijk) , nómmers , nummerke , nummer , Emes op nómmer höbbe: iemand niet vertrouwen. Hae waas vuuer ziene nómmer in deens(t) gegange: hij werd ingeloot voor militaire dienst.: hij werd ingeloot voor militaire dienst.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nummer , noemer , nommer , zelfstandig naamwoord , noemerke , nummer; R.J. 'noemerke tien'; Kees en Bart: noemer zis, noemer êen van lijst zis; noemerke vier, 'n leuk kabouterke; kreeg den schoone naom van Wouterke. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Van Kees en Kee’, 1941); Cees Robben – En ze trouwde noemer drie.. (19621102); Henk van Rijen:  hòtie ok ene noemer tusse zen schaawerblaoj bèmmele? - Droeg hij ook een (rugnummer?); CiT (28) 'Haj okkene noemer tussche z'n schouwerblaoie bemmelen?'; A.P. de Bont: numer, zelfstandig naamwoord, mannelijk. 'noemer' - nummer; Cees Robben – Nommer drie (19600304); WNT NUMMER, nommer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal