elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ontaard

ontaard , ontaard , heel erg ontaard lekker heel erg lekker.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ontaard , onaord , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = groot, grof Een onaorde kerel een buffel van een vent (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ontaard , ontaord , bijvoeglijk naamwoord , ontaard Het is een ontaord kind (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ontaard , oneerd , bijvoeglijk naamwoord , (Midden-Drenthe) = ruw Wat een baviaon, wat een oneerde kerel (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ontaard , ontaord , bijvoeglijk naamwoord , ontaard, ontworteld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ontaard , ontaerd , bijvoeglijk naamwoord , ontaard
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ontaard , ontaord , bijwoord , heel erg (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal