elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: onterik

onterik , onterik , vuilik, onzindelijk mensch.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
onterik , onterik , zelfstandig naamwoord , viezerik, smeerpoets (KRS: Werk; LPW: Bens, Lop) Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 157). Gevormd op basis van *ont (Berns 1991, p. 157).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
onterik , honterik , de , (rr) = slechterik Die honterik lat heur aal zakken, hie holdt gien reken met heur hoesholding en heur zenen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
onterik , onteriek , viezerik in woord en gedrag , mi d’n dieje motte nie omgaon want da’s ne grwôte onteriek = met hem moet je niet omgaan want dat is een grote viezerik-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
onterik , ônterik , oneerlijk iemand
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
onterik , onterik , viezerd, iemand die vuile praatjes heeft (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
onterik , onterik , zelfstandig naamwoord , valsspeler (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal