elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oogst

oogst , oost , oogst , (mannelijk) , oogst.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
oogst  , ougs , oogst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
oogst , òst , alle oogstwerkzaamheden tezamen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
oogst , okst , zelfstandig naamwoord , oogst. ’nen Okstappel was een geel-groene appel, die vroeg rijp was, ongeveer in de oogsttijd (juli-augustus). ’nen Okstpol was volgens A. P. de Bont een klein mikske (’n polleke) dat de huisvrouw van de nieuwe rogge bakte, soms, zoals in Diessen en Esbeek, met appels of peren erop.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
oogst , oogst , de , oogsten , oogst Wij hebt een knappe oogst had (Zdw), z. ook het meer gebruikte bouw
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oogst , okst , oogst.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
oogst , oogs , oogst.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
oogst , ókst , oogst , We hébbe’net druk meej d’n ókst, nouw't goej wiir is moet'ter zóveul meugelek binne. We hebben het druk met de oogst, bij goed weer moet er zoveel mogelijk naar binnen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
oogst , ôôst , oest, hoest , zelfstandig naamwoord , ôôste, oeste, hoeste , ôôstie, oesie, hoessie , oogst; oest, In de vekááñsie hiellepe me as schooljonges al mee in d’n oest; hoest [veroud]
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
oogst , okst , oogst
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
oogst , ókst , zelfstandig naamwoord , oogst (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
oogst , ougs , ougst , (mannelijk) , ougste , oogst , Wae höbbe d’n ougs oppen tied bènne.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
oogst , ost , ogst , zelfstandig naamwoord , oogst, oost; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - óst (= oogst) (krt. 47) met korte vocaal (blz. 115); Goem. OOGST - ust, znw. m. Antw. OO(G)ST znw. m. , Fr. moisson. Spr. Zijnen oo(g)st opdoen - eene goede gelegenheid waarnemen om een goeden voorraad op te doen. Jan Naaijkens, Dè's Biks: okst zn - oogst; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 25) ogst
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
oogst , oeëgs , oogst
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal