elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oorlof

oorlof , olf , zelfstandig naamwoord , verlof (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
oorlof , òlf , zelfstandig naamwoord , oorlof, verlof, congé; Toine Raaijmakers (informant) - oewen òlf hèbbe - 't erop hebben zitten: Hèdde oewen òlf?; Toine Raaijmakers (informant) - zenen òlf krèège - zijn congé krijgen; Toine Raaijmakers (informant) - èèrges meej in zenen òlf zèèn - ergens mee in z'n sas zijn; De Wijs  – Hedde den òlf ? (Ben je klaar met je werk? Olf is vrijaf, verlof) (20-07-1962); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zen òlf hèbbe ('65) - zijn taak volbracht hebben; vrij zijn; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - òlf maoke (D'16) - er met het werk uitscheiden; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zen òlf krèège ( '65) - ontslagen worden; (òlf is verwant met oorlof - vergunning, verlof, toestemming); N. Daamen - Handschrift 1916 - “’k heb olf (ik heb mijn taak volbracht)”; “ik heb zelf mar olf gemokt (gereed of niet ik ben er uit gescheiden)”; Henk van Rijen - 'òllef, òllem' - verlof, vrij, ontslag; Schuermans, Algemeen Vlaamsch idioticon (1984, herdruk) - OLF, verkort van: oorlof
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal