elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opdoen

opdoen , opdoen , (werkwoord) , in orde brengen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opdoen , opdoen , (werkwoord) , bekomen, verkrijgen. , Hij heeft met die koopmanschap veel opgedaan, dat is voordeel behaald. Dat meisje doet eenen goeie’n op, ’t welk beteekent dat zij eenen rijken of deftigen man zal huwen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
opdoen , opdoen , opslaan; “de boksempiepen ’n slag of twee opdoen” Ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
opdoen , opdoun , (opdoen) = (zich) opsmukken, zijn beste kleeren aantrekken. Spreekwoord: Opdoun dut (of: dait) verkoopen, zooveel als: wanneer een meisje zich knap, of ook: met smaak, of: rijk kleedt, komt zij daardoor eerder aan den man. v. Dale: Goed voorgedaan is half verkocht. Zie ook: indoun.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opdoen , opdoen , (onregelmatig werkwoord) , Zie de wdbb. – Dat zel wat opdoen! dat zal wat opleveren! het zal niets beduiden!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
opdoen , opdoen , het krijgen van kinderen. Zijn vrouw heeft een kleine opgedaan.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
opdoen , opdoen , werkwoord , Ook: opendoen (verouderd). | Doen de deur es op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
opdoen , opdoen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. aandoen Het is duuster. Zuw de lamp opdoen? (Bui), z. ook opdrèeien 2. opdoen Zult zie op schooul nog wel wat opdooun? (Eex), Waor heb ie dat ding op edaone? opgescharreld (Dwi), Wij hebt heel wat neis op edaone (Rui), Het is een knap maagien eworden, die kan nog wel ies wat opdoen (Dwij) 3. versieren, optutten, opmaken Wat hef oos wicht zich wèer mooi opdaon. Het mag zo gèern mooi wezen (Bei) 4. omhoog doen Toen as mien zuster 17 was, much ze het haor opdoen (Ruw), Het raam opdoen (Hgv, veroud.), IJ moet je bokspiepen opdooun, aans kriej ze under de rommel (Eex) 5. concurreren (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Tegen dat soort volk kun wij niet opdoen (Bor), Wij kunt met het wark best tegen mekaor opdoen gelijk opwerken (Dro) 6. opzetten Wij mut zo eten, ik zal de erpel vast opdoen (Coe) 7. opendoen (Zuidwest-Drenthe, noord, ndva) De deure even wat opdoen, as het te warm wordt (Wsv) *Opdoen dut botter verkopen de presentatie is belangrijk (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opdoen , opdoen , oplopen. Waor hej die naere ziekte opedaon?
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
opdoen , opdoen , werkwoord , 1. opslaan, naar boven vouwen, schuiven e.d. 2. opdienen, op tafel zetten 3. verwerven, verkrijgen 4. oplopen, ongewild krijgen 5. aansteken, aandoen 6. zich opdirken, zich opmaken 7. opsteken, aan informatie krijgen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opdoen , ôpgedôn , opgedaan
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
opdoen , opdoen , netjes aankleden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
opdoen , opdoen , opdoew , werkwoord , gebeuren (West-Brabant); opdoew; grootbrengen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
opdoen , opdoon , zich opdoon, 1. zich kandidaat stellen 2. vandaan halen , Zich opdoon vuuer de gemeindjeraod.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
opdoen , opdoen , sterk werkwoord , "1. opdienen; Frans Verbunt: het eten op tafel zetten; opdienen; 2. leren kennen; «Enen blauwe maondag hèb ik toen,/ meej en mèdje omgegaon./ Die hak opt huukske van de straot/ meej et daanse opgedaon» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nòg vrij); 3. Frans Verbunt: ook: iemand de broek opdoen; de verbeelding is niet duidelijk; de betekenis is: iemand zijn vet geven, de waarheid zeggen; Piet van Beers – ‘Kaorte’: Toch hèk ze alle drie de broek opgedaon. Al is den ""hoofdprèès"" toch men neus vurbij gegaon. (Het zeventiende boekje, 2010); 4. jenever tappen; WTT 2012 -Vruger deejen z'm mee 't half of heel motje op, om wè in huis te hebben as ge volk kreegt of as ge 'ns 'nen aanderen smaok in oeë mond wô't hebben, mar naa zen ze van 'n heel kruikske niemer vies. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal