elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ophalen

ophalen , [omhooghalen, afhalen] , ophalen , (zwak werkwoord) , halen; en peerd ophalen ût ’t land, een paard uit het land halen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ophalen , ophoalen , in: dat mout zien hart ophoalen = dat moet er zoo door, wat de gevolgen ook mogen zijn, en hoezeer men het ons ook heeft afgeraden. – (Zooveel als: wat er van kome, het hart moet zich er aan te goed doen.) – ’n peerd ophoalen = een paard uit de weide halen om voor den wagen, ploeg, enz. gespannen te worden; –’n lijd ophoalen = een lied aanheffen; – ’n bal (of: balle) ophoalen = bij het eind der baan (bv. op het ijs) den bal der tegenpartij nemen die vóór is, opdat zóó, ’t geen men achter is, op den terugweg weer ingehaald kan worden; – ophoalen van personen = ze afhalen om ergens mee naar toe te gaan, om te gaan wandelen, enz. – Ook = opzoeken; zie: aiergeld.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ophalen , ophalen , weghalen, afhalen. Jan, kommî mîn margen ophalen? Jonges, maak gauw daj in bedde komt, ik komme voort de keerse ophalen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ophalen , ophalen , (zwak werkwoord, transitief) , Zie de wdbb. – Niet veel ophalen, niet veel geven, niet veel betekenen. || Die berichten halen niet veel op (hebben weinig te betekenen). Mit zo’n windje haalt ’et koeken maken niet veul op (in een oliemolen). Dat zel ok niet veul ophalen, as hij ’et doen moet. – Zie een zegsw. op gat en vgl. de uitdrukkingen op krozing en vang.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ophalen , ophalen , Weghalen, afhalen. Jan, kommî mîn margen ophalen? Jonges, maak gauw daj in bedde komt, ik komme voort de k(i)eerse ophalen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ophalen , ophale , werkwoord , Ook: 1. Open halen (verouderd). | Haal de deur es op. 2. Beter worden, er beter uit gaan zien. | Hai is in ’t ziekenhuis pittig ophaald. Nei dat regentje benne de plantjes ophale heengaan. Vgl. Van Dale: het ophalen. Zegswijze ophale heengaan, beginnen te herstellen, te gedijen. – Koeie ophale, koeien naar de melkplaats drijven.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ophalen , ophale , werkwoord , zie *omhale .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
ophalen , ophalen , sterk, zwak werkwoord, overgankelijk , 1. ophalen We moeten het lèeste heui nog ophaelen (Vle), Wij wilt wel komen, maar dan moej ons ophalen (Klv), Die is zo ziek ewest, hij hef het van de dood op ehaald voor de dood weggehaald (Hol) 2. omhoog halen, optrekken IJ moet je boks wat beter ophalen, het hemd hangt er oet (Sle), Aj mit het breien een steek laot vallen, dan muj hum ophalen (Ruw), Eerst èven de refels ophalen, veurdat aj het gat stopt (Hol), Die cijfers moje even een beetje ophalen (Klv), De rogge stiet niet best, mar as het wèer wat gruizemer wordt, kan het nog wel ophaelen beter worden (Wsv) 3. in herinnering roepen De olde buren haalden altied olde taferelen op (Hgv), Het is wel ies mooi om olde leidties op te haolen (Nor) 4. inzetten (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Wij moet dat couplet nog even weer vannei ophalen (Sle), Haal do no eerst mar is op, dan val wij wal in (Pdh) 5. openhalen (Zuidwest-Drenthe, noord) De haand ophaelen an een spieker (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ophalen , ophaolen , de taofel ophaolen, de tafel dekken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ophalen , op-alen , 1. ophalen; 2. afhalen (van goederen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ophalen , ophaeln , ophalen, afhalen. Ik zal oe mârgn komm ophaeln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ophalen , ophaelen , ophaolen , werkwoord , 1. omhoog, naar boven halen 2. langs de genoemde plaats, het genoemde punt gaan en daardoor omrijden 3. brengen naar waar men woont, naar waar men voor het werk verblijft enz. 4. iets of iemand afhalen 5. inzamelend rondgaan 6. uit de herinnering te voorschijn roepen, uit het verleden weer tot leven brengen 7. hoger maken, omhoog brengen, met name van een bouwwerk 8. openhalen, (doen) scheuren 9. er weer bovenop komen 10. verbeteren (van een prestatie enz.) 11. gezonder, frisser doen lijken 12. moeite doen om de juiste toon te treffen, uithalen naar de goede toon, vooral bij de inzet van een lied
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ophalen , op-alen , (werkwoord) , 1. ophalen; 2. afhalen. Ik mut mien meisien op-alen van uus.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ophalen , óphâle , halt op, halde op, ópgehald , ophalen, omhooghalen , De toffel óphâle. De tafel dekken., Gèld óphâle. Geld ophalen. Collecteren., Bèij Jaântjes kónde ladders in neijlonkèwse lôte óphâle. Bij Jaan kon je ladders in neylonkousen laten ophalen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
ophalen , ophaole , werkwoord , (tafel) dekken (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ophalen , ophoeale , ophalen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ophalen , ophaole , zwak werkwoord , ophaole - hòlde(n) óp – opgehòld , WBD ophalen: de laatste poetsbewerking v. e. schoen met behulp v. borstels, zachte doeken etc. om de schoen zijn diepste glans te geven (II:794); WBD óphaole (II:1041) - ophalen: opdeunen; ook: òntrèkke; WBD (III. 3. 3:135) ophaole = collecteren; (ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hòlt óp)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal