elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opkamer

opkamer , opkaamer , vrouwelijk , kamer boven de kelder. Daardoor iets hoger gelegen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
opkamer , opkaamr , zelfstandig naamwoord , kamertje boven de kelder
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opkamer , opkaomer , v , opkaomers , opkemmerke , opkamer(s) slaapkamer(tje) boven het keldergewelf
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opkamer , ópkaamer , iets hoger gelegen vertrek boven de kelder.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
opkamer , opkaemertie , kamertje, meestal boven de kelder, waar het dienstmeisje sliep.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
opkamer , opkamer , de , opkamers , opkamer, kamer boven de kelder De opkamer is het zölde as kelderbeun (Sle), (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opkamer , opkammer , opkamer, kleine kamer boven de kelder. hij slùpt in d’opkammer, hij slaapt in de opkamer.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
opkamer , opkamertien , (Kampereiland, Kamperveen) kamertje boven de kelder
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opkamer , opkaemer , zelfstandig naamwoord , de; opkamer, met name boven een kelder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opkamer , ôpkaamer , slaapkamer boven kelder
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
opkamer , opperkaomer , opkamer, hoger gelegen vertrek (meestal boven kelder) op dezelfde verdieping
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
opkamer , opperkaomerke , zelfstandig naamwoord , opkamer (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
opkamer , opkaomer , zelfstandig naamwoord , via enkele treden bereikbare, halfhoge, boven een kelder gelegen kamer; Mandos - Brabantse spreekwoorden: hier groejt de ròg óp de ópkaomer (vB Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd bij het zien van rogge op een hooggelegen akker; LDM - Verder vonden we gewoonlijk in de woonruimte nog een deur naar op- of zijkamer en de bedstee van het ouderpaar. Onder de opkamer was de kelder, waarin de aardappelen en in de slachttijd ook de kuip met de pekel, waarin de hammen en zijden spek en de kleinigheidjes als de pootjes, rugstrang, enz. een plaats vonden. (…) Op de opkamer trof men een ledikant of bedstee, kleerkast en verder gerief aan, indien er de plaats voor was. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 ‘Rond de boerenhaard 1’; NTC 27-6-1952)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal