elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oplichten

oplichten , oplichten , - toelichten, verklaren.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
oplichten , [licht worden, verhelderen] , oplüchten , (zwak werkwoord) , verhelderen, het gemoed verruimen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
oplichten , oplichten , (zwak werkwoord) , vgl. hemdje-licht-op.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
oplichten , oplichte , werkwoord , Ook: opklaren, lichter worden (na een bui).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
oplichten , oplichten , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. opbeuren, oplichten Dat land was zo roeg, ik mös de ege eingaol oplichten (Bov), Licht is op gezegd tegen een paard dat z’n been moet optillen (Eex), Eerappels oplichten opploegen, zodat ze gemakkelijk kunnen worden gerooid (Vle) 2. bedriegen Oplichten hef wel mit geld te maken, bedriegen op zich zolf is gien oplichten (Hol) 3. toelichten, verklaren (Zuidoost-Drents zandgebied) Ik wol de zaak wel wat meer oplicht hebben (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oplichten , oplichten , oplochten , zwak werkwoord, onovergankelijk , oplichten Af en toe lichtte die lamp even op (Odo); ook oplochten Var. als bij licht I = 1. weer licht worden Tegen de middag begunde het wat op te lochten (Bal), In het westen locht het al wat op (Eli) 2. beter worden, opknappen Hij is gelokkig vort, daor zal het van oplochten (Dwi), Het zal een stuk oplochten, aj nei behang kriegt (Gas), z. ook opluchten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oplichten , oplichten , 1. oplichten, lichter worden; 2. optillen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
oplichten , oplichten , werkwoord , 1. optillen, enigszins opheffen 2. door ploegen omhoogbrengen 3. bedriegen, de ander geld of goederen afnemen door listig te opereren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
oplichten , opleechte , werkwoord , tillen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal