elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keskedieën

keskedieën , kiskedisen , Zeggen.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
keskedieën , keskedieje , werkwoord , iets te zeggen hebben (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
keskedieën , kèskedieje , zwak werkwoord , "inbrengen, te vertellen hebben; WTT - mogelijk uit Frans: Qu’est-ce qu’en dire? ‘Wat zal ik ervan zeggen?; ’Van Beek - ""Hij heej niks te kiskedieje!"" - Hij heeft niets te zeggen; hij heeft niets in 't midden te brengen; hij heeft niets te commanderen; hij heeft niets in de melk te brokkelen. (Zou dit van het Frans komen? - Qu'est que dit?)  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Cees Robben – [Man spreekt:] Ik heb thuis (...) toch niks te kes-ke-dieje... (19831209); H. van Rijen (1988): ""ge hèt niks te kiskedieje"" - je hebt niets te kiezen; WNT KEDIEZEN, KADIEZEN (kadijzen) - in Noord-Ned. ook kiskediezen, kieskediezen. Men heeft gepoogd deze woorden met Fransche klanken en vormen in verband te brengen (qu'est ce que dis?) doch zonder bevredigende uitkomst, 1) Op- of aanmerkingen inbrengen; 2) vitten, bedillen, berispen; 3) zeggen, gezag hebben, bevelen. Verbastering van fr. 'qu' est-ce-que ... dit' ?; Antw. KISKEDIE (klemt, op die) zelfstandig naamwoord m. - pronkzieke manspersoon (spotnaam op eenen manspersoon); KISKEDIEËN (klemt, op die) - Ge het niks te kiskedieën - niets te seggen, niets te bevelen."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal