elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: quidam

quidam , kwiedam , guit, snaak, grappenmaker. Latijn quidam = zeker iemand. (v. Dale: kwidam = zot handelend mensch.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
quidam , kwiedam , zelfstandig naamwoord, mannelijk , raar iemand, waar niets mee te beginnen is
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
quidam , kwidammer , aansteller.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
quidam , kwiedam , grapjas , Wa zéd'de ne kwiedam, gi zé nie tevreeje és ge de mènse nie op de kaast kunt jaoge. Wat ben je een grapjas, je bent niet tevreden voor je de mensen op de kast kunt jagen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
quidam , kwiedam , zonderling
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
quidam , kwiedam , deugniet, iemand die soms gekke domme streken uithaalt , hedde gij da gedaon, wa bende toch ne kwiedam ééj = heb jij dat gedaan, wat ben je toch een deugniet-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
quidam , kwiedam , zelfstandig naamwoord , vreemde snuiter, grapjas (Eindhoven en Kempenland; Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal