elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: raam

raam , raamd , meerv. raamden, voor raam, ramen.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
raam , raam , (mannelijk) , vorm en afmeting van eene zware koe. Er ligt een goed raam in, dat wil zeggen: het is eene vlugge vierkante koe, zwaar van bouw, en welgemaakt van leest.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
raam , [ruk] , raom , in: met (of: in) ’n raom = met één heftige beweging, bv. een sprong, een ruk, ook Gron.: “in ’n roam hadd’ie de beesties unner d’ aarm grepen.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
raam , raam , (onzijdig) , rame , raam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
raam , raom , (mannelijk) , sprong, en raom nemen, een grooten sprong doen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
raam , roam , in: ʼn roam nemen = snel in eene eenigszins afwijkende richting op iets toeschieten, om het onderstboven te werpen, enz. Wordt ook gezegd van dronken mannen die zigzagswijs over de straat gaan. De hond neemt ook de roam, dat is doet den sprong om den haas te grijpen; ook Drente (v. Dale: raam, juist afgemeten richting om iets te treffen of te grijpen; hij houdt geenen raam in het schieten = hij weet niet goed te mikken.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raam , roamke , horretje; dei arbaiders hebben roamkes veur de gloazen en bloumen op de vensterbanken, dat bin nuvere lú.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raam , raam , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – a) Venster. In deze zin meestal vrouwelijk || Ze zit voor de raam. Zet de raam open. – b) In een koestal. Een soort van rooster van latten, waarop de beesten staan en dat met stro wordt overdekt (de Wormer). Het raam dient om de urine gelegenheid tot wegvloeien te geven en wordt gewoonlijk alleen gebruikt voor stieren. – c) De vierkante bouw van een koe. In de uitdr. er leit ’en goed raam in, het is een vlugge vierkante koe, zwaar van bouw en welgemaakt van leest. Evenzo in de Beemster (BOUMAN 86). – Vgl. verder de samenst. schilpraam, steenraam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
raam , roam* , en roamen*: bij v. Dale “raam” = juiste richting, “ramen” = mikken; vandaar ramen, raming = schatten, schatting.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
raam , raom , raam.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
raam , raam , zelfstandig naamwoord, onzijdig , raams , ràemken , raamkozijn, omranding
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
raam , roam , zelfstandig naamwoord , nen roam doon, een slag slaan, een grap doen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
raam , raom , m , raome , rùmke(s) , raam, ramen, raampje(s) De raom(e), rùmke(s) losmaoke Het raam open zetten; Kiek mar’s dör ’t rùmke, dan ziede ’t bömke staon. Kijk maar eens door het raampje, dan zie je het boompje staan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
raam , roam , 1. raam 2. noodsprong, ergens in vertwijfeling een greep naar doen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
raam , raam , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: vierkante bouw van een koe. | D’r loit ’n goed raam in dat beisie. Zegswijze ientje in ’t raam hewwe 1. iemand in de gaten hebben (verouderd). 2. iemand zeer verlegen maken (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
raam , raom , zelfstandig naamwoord , raam. Zie: boek.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
raam , raam , zelfstandig naamwoord , (onverwachte) grote sprong (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Vaak bij koeien en paarden gezegd, maar ook mensen kunnen een raam nemen. Een raam van een paard had dikwijls tot gevolg dat het tuig brak. Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 107). In Gouda is een raam een ‘snelle aanloop’ (Lafeber 1967, p. 149).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
raam , raempie , raampje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
raam , roam , sprong, greep (naar iets).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
raam , raam , raom, raem , het , ramen , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook raom (Noord-Drenthe), raem (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. raam Moej ies deur het raam kieken, hoe het regent (Sle), Alles mus deur het raam naor binnen, het hiele raam mus der oet (Pdh), Het raam is zo smèrig, ie kunt er haoste niet mèer deurkieken (Hijk), Hai zat aal veur het raom te koekeloeren (Eco), z. ook venster 2. raamwerk Een raem um het graf (Dwi), Bij het koren inhalen wur het veurbred veur op de wupkarre zet en achterop het raam (Klv), Op de wipkar een raam en op een briede wagen een juk (Bor), As der een raom op de kaor zit, kuj der meer eerpels op holden (Eex), z. ook juk, rik, kret
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
raam , raom , de , raomen , 1. krachtige stoot Hij gaf een raom tegen de deure, die klemde (Dwi) 2. greep Hij dee een raom in het geldkissien en toen der vandeur (Hgv) 3. sprong De kat dee een raom en hie har het vogelie te pakken (Eex) 4. flink stuk werk, karwei (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Aw nog even een raom doet, hew het veur de aovend klaor (Sle) 5. (vaak verkl.) poos (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Nao het melken kan ik nog wel een raompien bezen plokken (Bro), Wij bint een hele raom an het wark ewest (Hol), Bij raomen döt e der nog wel is wat an, maar het is gien deurzetter af en toe (Nam), Bij raomen hef e zin um wat te doen (Dwi), z. ook toer 6. (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), in op gien raom nao lang niet Hai verbeeldt zuk hail wat, mar hai kun hom op gien raom nao hebben kon hem lang niet aan (Eev), Ik weit op gien raom nao, wat dat kost heb in de verste verte geen idee (Erf), De hond kun de haos op gien raom nao anlopen kon lang niet zo hard lopen (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
raam , raom , 1) afgebakend perceel; 2) waterloop.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
raam , room , raam. mv. romen. verkl. römke.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
raam , raam , raam
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
raam , raom , rääm , (Kampereiland, Kamperveen) 1. vluchtpoging van een paard of een koe; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: greep; 3. Gunninks woordenlijst van 1908: aanval. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rääm (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
raam , raem , raempien , raam.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
raam , rômke , raampje , Saatemiddegs moes ik dé rômke van vurre én vanaachtere vérreve dan kóst dréúge. Na de middag moest ik dat raampje van voor en vanachter schilderen dan kon het drogen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
raam , raom , zelfstandig naamwoord , de 1. krachtige stoot, klap, stevige ruk 2. snelle greep, graai, snelle uitval of beweging anderszins naar, in enz.3. flinke maar kort durende inspanning 4. flinke hoeveelheid werk die men verricht 5. poos 6. in Hi’j staot ’m (wel) een raom hij staat z’n mannetje wel (tegenover de ander), ook in vergelijkbare toepassingen 7. gok, schatting
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
raam , raem , zelfstandig naamwoord , et 1. glasruit (veelal: met omlijsting) 2. raampje, vierkant of rechthoekig latwerk e.d. dat voor stevigheid van een constructie zorg moet dragen 3. hooiraam (op een boerenwagen) 4. hetz. als grafraem 5. bep. raamwerk waarop matten worden gevlochten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
raam , raem , raom , zelfstandig naamwoord , raeme , raempie , [Obl] schatting, raming Hij kon het op gêên raem nae zegge Hij kon het bij benadering niet zeggen; Hij konnet op gêên raom nae zegge Hij kon het niet bij benadering zeggen, hij kon het in de verste verte niet zeggen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
raam , raomt , zelfstandig naamwoord , raomde , raomtjie , raam, vensterbank Zettun blompot maor in ‘t raomt; raomde ramen, vensters De raomde motte gevurrowd worre
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
raam , room , römke , raam
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
raam , rôm , rôm , rùmke , raam
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
raam , raom , raam
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
raam , raam , (zelfstandig naamwoord) , 1. sprong (een raam nemen); 2. houder voor eieren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
raam , raam , (bijvoeglijk naamwoord) , buitengewoon, verbazend (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
raam , raamt , raomt , raam (rond Nijkerk).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
raam , raom , zelfstandig naamwoord , aanloop, uithaal (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
raam , raamt , raam; raamde, ramen
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
raam , raom , ròmke , zelfstandig naamwoord , "vaak vrouwelijk in plaats van onzijdig; raam, venster, ruiten; Die zit aaltij vur de raom; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - raom - rumke (u van 'mulder' = mölder); Cees Robben - Prent van de Week - Swèls zêûm ik de raome; Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “As vruuger ne meens dôod was, dan stond dieje meens, die stond in hèùs in en kiest èn dan stond ie vur et raom èn dan kosse de meense van bèùten et raom, koste, koste gij nòr den dôoje stòn te kèèke!”; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. vr. 'raom' - raam; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAAM znw. v. en niet o. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - raom zelfstandig naamwoord - raam; 'doe de raom dicht'; Dirk Boutkan (1996) - 'Doe irst de raom is dicht.' (blz. 96); ambachtelijke toepassingen; WBD driehoekig raam om de nek van een kalf, ook genoemd 'ròmke' of 'juk'; WBD lèèmraom - lijmraam, raam van latten of gaas, waarop het lijmvlees te drogen wordt gelegd (II 611); WBD óp raom spanne - opspannen van leer op een raam of bord om het te laten drogen (II 641); WBD raom - opspanraam voor leer (II 641); WBD klòsseraom (II:992) - scheerrek (voor scheerklossen); WBD schèrraom, schirraom; (II:994) - scheerraam, grote haspel; ook: schèr-meule, haspelmeule of schèrkrôon genoemd; ; ròmke;verkleinde vorm van raom raampje; WBD driehoekig raam om de nek van een kalf, ook genoemd 'raom' of 'juk'; Cees Robben - Prent van de Week - der moet en gerdèntje vur et ròmke koome; Oudere uitspraak; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - raom - rumke (u als in mulder = mölder); Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - rumke: de u = aan de oeu in boeuf, oeuf - zèttet ròmke mar oope; verkleinwoord van 'raom', met vocaalkrimping; WTT 2012 – Deze uitspraak met gekrompen vocaal (römke in plaats van ròmke) wordt bevestigd in een interview met Hein Quinten door Paul Spapens: ""Hij praat vol vuur over de nicht die 49 jaar geleden naar Duitsland emigreerde en die hij onlangs nog eens heeft bezocht. Bij zijn nicht ontdekte hij in de praktijk een bekend fenomeen, namelijk dat dialectsprekers in den vreemde de oorspronkelijke taal zijn blijven spreken omdat ze nooit zijn beïnvloed door bijvoorbeeld radio en televisie. Met andere woorden, wie nog origineel Tilburgs of Goirles wil horen, moet elders zijn. “Ik zeg ‘ròmke’ tegen een raampje, zij zegt ‘römke’. Toen ik het hoorde dacht ik: ja, zo zei onze pa dat vroeger ook.” (Uit: Goirles Belang 19-12-2012; Hein Quinten is HaaQuu van Goirles Belang (1)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal