elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rabat

rabat , rabat , (met klemt. op bat) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een oud, bouwvallig huis, krot. || Ze wonen in ’en rabat. – Evenzo te Amsterdam (O. Volkst. 1, 41). – Ook van oude, kapotte meubelen. || Kijk ers, wat ’en rabat van ’en stoel. – Vgl. Fra. grabat, méchant lit, tel que sont ceux des pauvres gens (LITTRÉ 1, 1907), Lat. grabatus, rustbed. – Zie rabattig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rabat , rabbat , ’n oold rabat: een oud, bouwvalligje bouwseltje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rabat , rabbat , wild. Hei is kats (of: kaont) op ’t rabbat: hij is helemaal wild.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rabat , rabbat , zelfstandig naamwoord, onzijdig , eenn op t rabbat brengn, iem. ’t hoofd op hol brengen; op t rabbat wean, losbandig zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rabat , rebat , zelfstandig naamwoord ’t , Rabat, sponning, opstaande rand (bv. van een kolfbaan), geplooide strook boven een gordijn. Uit Frans rabat, afleiding van rabattre = omslaan, terugslaan. Zie het N.E.W. onder rabat-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rabat , rabat , grefke (Ned. graafje ‘slootje’) in ennen bos.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
rabat , rabbat , oud en versleten iets, met name gezegd van een oude fiets.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
rabat , rabbat , op rabbat wèèn, de hort op zijn.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rabat , rabat , rebat , het , rabatten , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe). Ook rebat (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) = 1. smal gordijntje, valletje Achter de beddedeuren zatten rebatten (Sle), Het rebattien was het strookien veur de beddegerdienen langs (Sti), Ik heb een schoon rabat veur het berre daon (Row) 2. donder, lichaam (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) Hij kreeg flink wat op het rabat (Dwi) 3. ronding (Zuidwest-Drenthe, zuid) Een ronding baoven an een plaanke neumt ze ook een rabat (Hgv) 4. (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), in op het rabat voor de dag Der was veul volk op het rabat op de been (Zwig), Hij mus bij de plietsie op het rebat kommen (Sle), Al naor gelang ze wèer wat beter weur, kwam ze ok wèer wat mèer op het rabat bij de weg (Bei), Koom der mor gerust mit op het rabat (Ker) 5. (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), in op / van het rabat uit het gewone doen Deur die iene koe kwamen ze almaol op het rebat (Sle), Ien op het rabat brengen in opspraak (Rui), Ie raakt zo hielemaol van het rebat van de regel (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rabat , rabat , rabat: uitstulpsel of ril rondom het artikel. Bij een ril naar binnen, bijv. in een pan, kon deze ril dienen om het deksel op te leggen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rabat , rebat , rabbat , rabat. Old rebat ‘versleten spul’. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rabbat oud, versleten voorwerp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rabat , rabbat , rebat , zelfstandig naamwoord , et 1. rabat, valletje (vooral: voor bedsteden, aan gordijnen) 2. korting op een prijs 3. slaag
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rabat , rebat , zelfstandig naamwoord , rebatte , rebatjie , rabat, sierlijk bewerkte strook langs de bovenkant van een bedstee
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
rabat , rebat , (zelfstandig naamwoord) , oud haveloos voorwerp. Wat een old rebat van een köre ef IJ döör toch staon? ‘wat voor oude versleten kar heeft hij daar toch staan?’
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rabat , rabbat , uit z’n rabbat = scheef , da stao jillemaol uit z’n rabbat = dat staat helemaal scheef-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rabat , rabat , rebels, tegen de draad in (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rabat , rebat , zelfstandig naamwoord , sponning, model (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rabat , rebat , zelfstandig naamwoord , "rabat, sponning; Frans Verbunt - model: 'et schiet öt zene rubbat'; Hees. RABBAT 'sponning' (VII:59); WNT RABAT D) Beteekenissen die afgeleid zijn uit ""inspringing"", terugwijkend gedeelte van een muur enz. Reeds in het ofr. en mnl. l) Groef in een stuk timmerhout, sponning ... 'Het rabat is ontsteld' = waarschijnlijk: de sponning waarmee twee stukken hout ineensluiten, is kapot."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal