elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rabauw

rabauw , rabauwe , rabauwt , zijn hier eene soort van late appelen. Rabauw is bij Kiliaan een boef, een hoerenjager. – Voor gemeene rondzwervende lieden heb ik dit woord menigmaal
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rabauw , rabauw , de , rabauwen , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) = rouwdouw, ruig, smerig persoon Het bint rabauwen, die jongen, ze ziet er uut as vaarkens (Dwi), Zij koomt uut een ruug nöst, het bint echte rabauwen (Hgv), z. ook raudie
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rabauw , rabauw , zelfstandig naamwoord , de 1. ruwe, wilde, lompe persoon 2. bedelaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rabauw , rabauwke , zelfstandig naamwoord , reinette (appelras) (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal