elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rafel

rafel , rafel , (vrouwelijk) , rafel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
rafel , rèfel , (vrouwelijk) , rafel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rafel , rafel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook van hout, dat ruig, harig is aan de zijde waar het doorgezaagd is. || Wat zitten der ’en rafels an ’et hout: de zaag is zeker stomp.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rafel , reifels , Rafels, draden van boonen. Afl.: Reifelen. Sam.: òfreifelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rafel , reefl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , reefls , reeflken , 1 rafel, 2 draad, in boon
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rafel , riffel , m , riffels , strook; rafel(s), Héj hét de riffel(s) án de boks hange. Hij heeft de rafels aan de broek hangen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rafel , réjfel , rafel, gezegd van een stuk stof.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
rafel , rafel , refel, riefel, raofel, raffel, raefel , de , rafels , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook refel (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied veroud.), riefel (Zuidoost-Drents veengebied), raofel (Noord-Drenthe), raffel (Pdh), raefel (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. rafel De refels, ...rafels komp mij under de rok weg (Sle), De rafels hungen der bij (Hgv), Wij hebt verschil tussen een refel en een rafel: Een refel is in gebreide of geweven stof, een rafel in ketoen of wol (Dro) 2. ladder in de kous (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik heb een rafel ien de kouse (Ruw), ...een refel in de kouse (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rafel , refel , (Gunninks woordenlijst van 1908) rafel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rafel , reifels , rafels, draden aan de bonen. As de beunties niet goed ereifeld bint en iej krieg ieder keer reifels an de tande, dan wordt ’t èètn der deur bedörvm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rafel , réffel , spillebeen , Van die lange maoger kénder daor zègge ze van, wa is dé toch 'n lange réffel. Van die lange magere kinderen daar zeggen ze van, wat is dat toch een lange spillebeen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rafel , raffel , rafel , zelfstandig naamwoord , de; rafel, losgeraakt weefsel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rafel , rèìjfel , rèffel , reep stof
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rafel , refel , (zelfstandig naamwoord) , rafel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rafel , rèffels , rafels
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rafel , riefel , riefelke , reep, smalle strook , Riffeling. Refeling. Straat in Nuenen. Vroeger een landbouwgebied.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rafel , reifel , 1. draad aan bonen (O.-Veluwe); 2. rafel; reifelen, 1. draden afhalen van bonen; 2. rafelen; 3. uithalen van een breiwerk; reifelig, rafelig
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rafel , rèffel , riefel , zelfstandig naamwoord , rafel, reep, strook grond (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk); riefeltje; verkleinwoord; reepje (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rafel , raofel , (mannelijk) , raofels , räöfelke , rafel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rafel , rèffel , zelfstandig naamwoord , rafel; De rèffels hange deraon. De Wijs – Ge hoeft er nie mee te simmen al hangen de reffels aon oewen jas (17-10-1966); WBD 'rèèfel' (II:1254) - rijfel, rafel; WBD III.1.3:14 'reffel' = rafel; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.m. 'reifel', afgescheurde strook v. een of andere stof, ook wel strook in het algemeen, bv. een strook land. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rafel , riefel , riefels , riefelke , rafel; strook
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal