elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: raggen

raggen , raggen , rakken, reggen , (werkwoord) , beteekent in het wilde rondloopen, zonder ophouden heen en weder loopen, zegt Hoeufft. Alhier gebruikt men het juist in dien zin, doch het wordt meest
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
raggen , raggen , (intransitief werkwoord) , rijden, schuiven, wiegelen, wemelen. Op den stoel zitten te raggen. Jantje ragt op zijn moeders schoot.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
raggen , raggen , (Fivelgoo) = het maken van kleine hooioppers. Zie ook: rachen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raggen , reugen , (wederkeerend) = roeren, bewegen, reppen; zich nijt kennen reugen = geene ruimte hebben om het lichaam te bewegen, of ook: daarin door eene ongesteldheid verhinderd worden; zich nijt maggen reugen = zich uit traagheid niet mogen reppen, niet willen werken; verreugen = verroeren. Oostfriesch rögen, regen = bewegen, in beweging brengen; hê kan sük nich reppen of rögen; hê is so lei, hê mag sük nich rögen; Hamburgsch reugen, Oldenburgsch rögen = bewegen; Holsteinsch rögen = aanroeren; kruutje rög mi nig = kruidje-roer-mij-niet; Hoogduitsch regen = in beweging brengen. Middel-Nederduitsch regen, Middel-Hoogduitsch rëgen = zich bewegen, roeren, in de hoogte heffen, stijf staan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
raggen , raggen , (zwak werkwoord, intransitief) , Met het lichaam tegen iets wrijven en schuiven, hangen, leunen. || Zit niet zo te raggen op je stoel; je broek komt toch wel door. Wat rag-je weer tegen de tafel. Kinderen, rag toch niet zo. Rag je weer ders op moeders schoot? Staan niet zo teugen de muur te raggen. – Ook gezegd van een molen die moeilijk maalt, doordat de wind ongunstig is en door huizen wordt onderschept. || De molen staat te raggen. Hij staat te raggen en te nijten. – Het woord is in geheel N.-Holl. bekend (BOUMAN 86); O. Volkst. 2, 175) en waarschijnlijk ook elders. || Behalve deze middelen ter beteugeling der stieren, is er ook nog eene wijze van temmen der ossen bekend, ten einde hun het raggen en stooten te beletten; bestaande dit middel in een langen boom, ... die ... met de touwen aan de halzen der ossen en tot voor hun knieën hangt, zoo dat zij door dit middel belet worden wild te loopen, te springen of op elkander te raggen, BERKHEY, Nat. Hist. 9, 290 vlg. – Te Breda kent men raggen in de zin van wild heen en weer lopen (HOEUFFT 481). Evenzo zegt men op Z.-Beveland raggen en vliegen voor ginds en derwaarts lopen (TE WINKEL, Nieuw Taalk. Magaz. 2, 231).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
raggen , raggen , heen en weer rennen, schuiven (1901).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
raggen , ragge , werkwoord , Met het lichaam op of tegen iets heen en weer schuiven, schurken. | Zit toch niet zô op die stoel te raggen. Waarschijnlijk is het woord ontleend aan het Franse raquer = slijten door wrijven. Zie het N.E.W. onder ragen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
raggen , ragge , werkwoord , 1. ravotten (KRS: Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab) Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 107). In Gouda heeft dit woord de betekenis ‘ruw bewegen’ (Lafeber 1967, p. 150). 2. (ww) Het bespringen van de koe door de stier (LPW: Lop) Zie ook *repe , betekenis 2 en 4. 3. (ww) het op elkaar springen van tochtige koeien (LPW: Pols) Zie ook *repe , betekenis 4.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
raggen , rakkern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = raggen Hij rakkert mar wat op die fietse (Schn)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
raggen , raggen , onbepaald werkwoord, overgankelijk , (Kop van Drenthe) = hooi in kleine hoopjes zetten, z. ook bij ragge II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
raggen , raggen , (werkwoord) , spinnewebben weghalen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
raggen , ragge , werkwoord , wild spelen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal