elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rakel

rakel , raokel , v , ’n Raûw raokel nonchalant meisje, vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rakel , rakel , räkel, raokel, räkeliezer, raokeliezer , kachelpook.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rakel , raokel , zelfstandig naamwoord , ongemanierde vrouw (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rakel , raokel , zelfstandig naamwoord , WBD rakelijzer (werktuig, meestal van ijzer, om het vuur in een oven te verspreiden); WBD omgebogen ijzer waarmee een oven wordt leeggehaald; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELIJZER znw. o. - ijzer om den oven te rakelen Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELSTOK znw. m. -lange stok om den oven te rakelen. WNT RAKEL (II) - verkorting uit 'rakelstok': gebruikelijk bij de bakkers om koolen en hout in den oven te roeren.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal