elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ramen

ramen , [waggelen] , ramen , (intransitief werkwoord) , waggelen. De man is zoo zwak, hij loopt te ramen. Van een paard dat onvast en log van gang is, zegt men: het raamt. Van eene koe die, door ziekte verzwakt, moeielijk kan gaan: het dier loopt te ramen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ramen , raomen , (zwak werkwoord) , [weinig gebruikelijk] mikken.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
ramen , raomen , (zwak werkwoord) , (bij Lochem ook ramen), mikken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ramen , roamen , door eenʼ sprong bemachtigen; ook: door een zwaai eene plaats bereiken; de hond kon den haas niet roamen = mist telkens zijn sprong om den haas te grijpen; de doene kerel ken de deur nijt roamen = schoot telkens de deur voorbij. (v. Dale: ramen = naar eene afgemetene richting bepalen, mikken; als jagersterm: het haas telkens omzetten en er naar grijpen.) Zie: rooi.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ramen , ramen , (zwak werkwoord, intransitief) , Snel en in bochten lopen, zoals b.v. hazen en wezels doen. || De haas raamt heen en weer over ’et land. Wat loopt die wezenling te ramen. – Vgl. Ned. ramen (jagersterm), van windhonden, het haas telkens omzetten en er naar grijpen (VAN DALE). In het Oost-Fri. is ramen in onvaste beweging zijn, rennen, zwaaien, heen en weer gaan, van een haas, een slingerende wagen, enz. (KOOLMAN). Evenzo Eng. to roam, rondzwerven, doorlopen. – In de Beemster zegt men ramen voor lopen met onzekere gang, waggelen, van zwakke mensen of dieren. || De man is zo zwak, hij loopt te ramen. Wat raamt die koe (BOUMAN 87). – Vgl. stalramig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ramen , rame , werkwoord , Waggelend, onzeker lopen. | Die koe loupt puur te ramen. Het woord is waarschijnlijk vergelijkbaar met Engels to roam = rondzwerven. Dit Engelse woord is afgeleid van de naam Rome. Zie Skeat.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ramen , reme , (ów zelf) ópjage.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
ramen , raomen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. grijpen Hie raomde mij het under de handen vort (Sle), Hij wet overal wat lös te raomen weet overal wat te krijgen (Die), De hond kun de haas niet raomen (Bor), Schaop wol er vandeur, maor hie kun hum nog net raomen (Dro), Hie hef alles bij mekaar raomd geschraapt (Pdh) 2. rameien, stoten De stier stund in de heuibulte te raomen (Dwi), Die koe raomde de boer ondersteboven (Coe), Hij raomde de deure lös (Flu), z. ook rammen 3. met geweld ergens doorheen lopen De koenen raomden deur het hekke (Hgv) 4. snel wegspringen (zw, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën) Hij kun nog net opzied raomen (Erf) 5. hard werken (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe) Hij raomde der tegen umme het wark klaor te kriegen (Hgv), Hij har de hele dag zo hard eraomd dat e ’s aovends schoon an het einde was (Hijk), Hij hef de hoed kepot eraomd (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ramen , raomen , zwak werkwoord, overgankelijk , inschatten, bekijken Wij kunt die ofstand niet raomen (Bal), Wij kunt nog niet raomen, hoeveule aons [ons] dat kosten giet (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ramen , ramen , schatten, ramen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ramen , raomen , (Gunninks woordenlijst van 1908) een greep doen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ramen , raome , werkwoord , raom, raomde, geraomd , [O] 1. zeven, ziften (van bijv. boekweit) 2. overslaan Deuze kip laait elleke twêê daege un aai en raomt dan d’n derde Deze kip legt elke twee dagen een ei en slaat dan de derde dag over Je mag nou wel is raome, je gaot anders zôô geregeld Je mag nu wel eens een keer overslaan, want anders ga je te vaak
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ramen , raome , bereiken, het halen , dè raomde nooit dat haal je niet
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
ramen , raome , werkwoord , huppelen, van jong vee bijv. (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ramen , raome , zwak werkwoord , raome - ròmde - geròmd , WBD (van een merrie) met de benen zwaaien en bewegen tijdens het werpen, ook genoemd 'slaon'; WBD raome (II:1056) - ramen: het goed door spanning zijn juiste maat geven; raome - ròmde - geròmd; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: ròmt; ròmde(n) - verleden tijd van 'raome'; Henk van Rijen - raamde(n)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal