elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rammelaar

rammelaar , remmelaar , (mannelijk) , het mannetje van den haas of het konijn. Holl. Rammelaar. Theot. rammalon, coire. uit-gerammeld, venere luxatus.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
rammelaar , rammeler , remmeler , (mannelijk) , mannetjes haas of konijn.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rammelaar , rammeltjen , Rammelaar (kinderspeelgoed).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rammelaar , rammelèèr , zelfstandig naamwoord , Rammel van een kind.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rammelaar , rammelèèr , zelfstandig naamwoord , Ram, mannelijk konijn.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rammelaar , rammelaar , de , rammelaars , mannelijke haas of mannelijk konijn De rammelaars zaten achter de euien an (Dal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rammelaar , rammelaar , de , rammelaars , rammelaar De rammelaar gooit hij altied vurt, daor wil hij niks van weten (Ruw), Oma nam heur kleinkind een rammelaor met (Eex), (fig.) Hij is geboren mit een golden rammelaar hij is van rijke afkomst (Mep), z. ook rammel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rammelaar , rammelaar , zelfstandig naamwoord , de 1. mannelijke haas 2. hetz. als rammelbelle
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rammelaar , rammeler , rammelder , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die rammelt in diverse bet. 2. ratelkous, iemand die voortdurend praat, babbelt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rammelaar , rèmmelder , rèmmeler , 1. mannetjeskonijn; 2. ram
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rammelaar , rammelèèr , ram, mannetjeskonijn
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rammelaar , [mannetjeskonijn] , rammelèèr , rammelaar , klèène kiendjes speule gère meej n’n rammelèèr omda ze da geluid mwooj viende = kleine kinderen spelen graag met een rammelaar omdat ze dat geluid zo mooi vinden-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rammelaar , raimeler , zelfstandig naamwoord , mannelijk konijn (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rammelaar , [kinderspeelgoed] , rammelieër , (mannelijk) , rammelieërs , rammelieërke , rammelaar, kinderspeelgoed
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rammelaar , remmelieër , (mannelijk) , remmelieërs , remmelieërke , mannetjeskonijn of -haas
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rammelaar , rammelèèr , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt - rammelaar (kinderspeelgoedje); ram, mannelijk konijn; WBD III.3.2:134 'rammelaar'= idem, ook 'rammeltje' of 'rammel'; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rammelèèr zelfstandig naamwoord - rammel van een kind; mannelijk konijn, ram
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rammelaar , rammelaer , rammelaar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal