elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rank

rank , rang , range , rank, stengel eener plant. Te Emmen is het een gebruik om hem, die zijne aardappelen niet tegen middelste beestemaandag (te Koevorden), gerooid heeft, een range om arm of been te binden; deze moet, met dit versiersel voorzien, zich op de jaarmarkt de plagerijen zijner kameraden laten welgevallen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
rank , rank , (mannelijk) , renke , streek, list.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rank , ranke , (vrouwelijk) , ranken , rank, scheut.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rank , ranken , uitloopers, bv. van aardbeziën.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rank , raank , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , slank, smal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rank , réng , m , zijdraad van peulbonen; zwaluwtong (plant).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rank , raank , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Kop van Drenthe) = loszittend, zonder verband, rammelend Die stoul is zo raank as wat (Row), Die baanderdeur wordt zo raank, door zit heilemaol gien beslut meer in (Row), z. ook rok
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rank , rang , range, ranke, rangel , de , rangen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook range (Zuidwest-Drenthe), ranke (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, meestal mv.), in bet. 2. en 4. ook rangel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. aardappelloof Aj de erpels der uut haden, mus ie de rangen opschudden en aj mit Dwingelermaark de erpels der niet uut hebt, gaoj mit rangen an het bien hen de maark (Dwi), Op Geeitermaark mussen de eerpels der oet weden, aans wur der zegd: Hie kreg rang an het gat (Eex), Je loopt wal op Zuudlaardermarkt, maor je mussen ok een rang an het bien hebben (Bor), Wel de erpel der niet oet hef veur ’t gaanzemark, mut er met een rang an het bien hen (Oos), Der zit ziekte in de eerappels, de rangen bint allemaole an edaon (Hgv), Het stinkt van de ranken, dei in de brand stoken bunt (Bco), Die èerpels bint veul te geil, het giet allemaol in de rangen zitten (Koe) 2. stam, pol aardappels (Zuidwest-Drenthe) De eerpels hebt het best edaone; an twei rangen how genog (Hgv), Der zate tiene an de range tien aardappels aan de stam(Flu) 3. draad van een peul (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) An de bonnen zit gien rangen, ...rangels mèer tegenwoordig (Sle), Die bonen bint ontaord, zie kriegt allemaol rangen (Gie) 4. rank Die rang mut eerst wel vaste zet worden, aans valt bij de eerste de beste wiend alles naor beneen (Hol), Wij kriegt al mooie rangen an de bonen (Eev), De rangels van de peultjes draaien om de stok (Erf) 5. (mv.) verband (Midden-Drenthe) Die tunne trekt oet de rangen duigen gaan uiteen (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rank , rank , bijvoeglijk naamwoord , (Gunninks woordenlijst van 1908) rank
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rank , ranke , zelfstandig naamwoord , rank
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rank , raank , bijvoeglijk naamwoord , slank, fijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rank , rank , ranke, raank, range , zelfstandig naamwoord , de 1. (vaak mv., ook verz.) rank: uitloper, dunne, slappe stengel, nl. vooral waar planten zich mee vasthechten, boonrank, rank van de erwt 2. (veelal mv.) stengel van de aardappelplant (boven de grond)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rank , reng , zelfstandig naamwoord , rank (stengel van een klimplant) (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rank , rank , (mannelijk) , reng , renkske , zijdraad van bonen- of peulenschil
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rank , raank , zelfstandig naamwoord , rank; stengel met bladeren, bloemen etc. 'rangel'; WBD III.1.1:20 'rank', 'rankel' = slank, tenger; WBD III.4.3:39 'rank' = idem (stengel), ook 'rangel'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANK znw. m+v. - de slanke stengel van erwten, boonen, hop, winde enz Naam die men geeft aan verschillende planten, zooals de haagwinde.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rank , raankel , rangel , bijvoeglijk naamwoord , "PM rank; Cees Robben – èèl en raankel goed... (19590228); D’16 ""raankel - ze is nog raankel (slank) - Verwacht nog geen kindje""; WBD III.1.1:20 'rankel', 'rank* = slank, tenger; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANK bvw. - licht van lijf en leden, van menschen en dieren gezeid.; rangel; stengel met bladeren, bloemen etc; rank, tak, 'raank'; WBD III.4.3:40 rangel - rank, onstevige stengel; ook: rank, rang, rand, stengel, tak; WBD III.4.3:77 rangel - tak (alg.) ook knoest genoemd"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal