elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rap

rap , rap , vlug. , Dat is een rappe jongen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rap , rap , boef, slecht persoon, mogelijk verkorting van rapaille.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rap , rap , (onzijdig zonder meervoud) , Afval van boomen, snippers en fijne takken, die in den boomgaard verspreid liggen en bij een geharkt worden, noemt men rap.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rap , rap , (bijvoeglijk naamwoord) , niet goed sluitend.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rap , rap , lam, zonder veerkracht, van sloten en veren, van schroeven die niet vatten; ook = niet sluitend, van deksels van doosjes die door het vele gebruik te ruim zijn geworden; ook van noten, waarvan de beide helften gedeeltelijk zijn losgegaan, enz. Vgl. gangboar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rap , rap , (bijvoeglijk naamwoord) , Niet sluitend, rammelend. Een rappe klomp.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
rap , rap , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Afval van hout, haksel, kleine spaanders; ook afgevallen takjes en bladeren die bijeengeharkt worden, raapsel. || Een mand mit rap. Bakkers stoken wel met rap. Veeg ’et rap maar bij mekaar. (Wordt verboden) in eenige schuyten toeback te rooken, waer dat in gelaeden is turff, riet, hooy, stroo, tacken of te rap, Hs. keur (a° 1724), archief v. Wormer. – Evenzo verderop in N.-Holl. (BOUMAN 87). – Ook: kleine stukjes afval uit het riet, dat gebruikt wordt als strooisel waar de varkens op liggen, of voor bloembollencultuur. || Ze hebben ’en schuit mit rap ’ehaald. – Ook in deze zin elders in N.-Holl. || Soodat meest alle die laghe Landen weynich goede vruchten konden draghen, ander als Riet, Rap, Bobelen, Biesen, dompen ende ander onkruyt, LEEGHWATER, Haerlmb.7, 38, § 158. – Zie de samenstellingen rapend, raphaak, raphok, rapmand, rapzak, en vgl. rapperig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rap , rap* , (van schroeven), Nederlandsch “lam”; ook noemt men een noot rap als de beide helften van den dop niet vast aan elkaar sluiten en zij daardoor een rammelend geluid geeft; het woord kan van rappeln* komen of een begripswijziging van het Nederlandsche “rap” (= vlot) zijn.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rap , rap , niet gaaf (o. a. van hout gezegd).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
rap , rap , (bijvoeglijk naamwoord) , Niet sluitend, rammelend. Een rappe klomp.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rap , rap , niet goed sluitend
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rap , rap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , vlug. Zik rap hem, iets vlug doen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rap , rap , snel, vlug.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rap , rappe , m , vluggerd Dè’s me évvel ok ’ne rappe Dat is toch ook een vluggerd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rap , rap , vlug, snel; * den is rap van achteren: die heeft last van diarree.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rap , rap , het , uitschot, volk van laag allooi In die woning, daor zit rap en roet in (Sle), Aal rap en roet kwam er op of (Eel), Jan Rap en zien maot leup op de kermis Jan en alleman (Dwi), Jan rap en zien maor waren der iedereen was er (And), Mit zokke schoenen, daor löp Jan rap en zien maot mit (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rap , rappies , bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = snel Woj wal rappies maken daj vortkomt (Zwe), Hie was der rappies bij toen der wat te haolen was (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rap , rap , rappel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook rappel in bet. 2. (N) = 1. rap, snel Nou muj rap maken, daj weg koomt, aans za’k mit oe ofrèken (Ruw), Hij is nogal rap met de bek (Row), Hij is rap op de bienen loopt snel (Sle), Hij is zo rap as water (Klv), Zie zit er rap achterhèer a. hun kinderen volgen snel op elkaar b. zij zijn flink aan het werk (Sle), Die kèrel, dat was een rappe, die kun handig wat doen (Bui), z. ook rappies 2. loszittend Het mes zit er rap in, ik kan der niks mit begunnen (Hgv), Het krappie op de deur is rap (Nor) 3. gebarsten Mien klomp is rap. Is e nog te maoken? (Eex), Hij haar een rappe klomp (Row). Rap wordt ook gezegd van een noot, waarvan de beide helften niet meer vastzitten (sl:Hgv) 4. (N:Sle), in rap en rok los en kapot Aj een wagen boeten staon laot, wordt op den duur alles rap en rok
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rap , rap , vlug. Zo rap as een aze
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rap , rap , gebarsten. Rappe klompe (Kampen) ‘klomp met een barst’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rap , rap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vlug, snel, gauw 2. kwiek, behendig, snel en handig 3. met speling, met slijtage en daardoor enigszins ruim, zonder stevig verband (in sluitingen) 4. in Jan Rap en zien maot schorriemorrie 5. in rap en ruut afval, bijv. van fruit, ook: schorremorrie, hetz. als raprut, dan ook rap en rut, rap en roet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rap , rap , gebarsten; rapklomp(e), klomp met een barst; mit de rapklomp(e) lopen, de vroedvrouw halen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rap , rap , bijvoeglijk naamwoord , snel (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rap , rap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , rap, vlug; Henk van Rijen - schrander, pienter; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge zèèt nèt zó rap on Paosen as ikke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd tegen iemand die wat hard van stapel dreigt te lopen; Frans Verbunt - zo rap as en strontvlieg meej êene vleugel; WBD III.1.2:259 'aan de rappe zijn' = diarree hebben; WBD III.1.4:147 'rap' = handig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal