elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: redderen

redderen , ridderen , beridderen, in orde brengen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
redderen , redderen , (zwak werkwoord) , vgl. opredderen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
redderen , redderen , redderen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
redderen , riddere , redderen, regelen. Ze moet âltied alles riddere Ze wil altijd alles regelen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
redderen , reddere , werkwoord , Zie redde.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
redderen , rittereere , werkwoord , druk beredderen. Zo hevig bezig zijn met beredderen dat anderen er moe van worden. “Schaait ’r ònderhand es öt meej oew gerittereer en gao’s zitte.” Hou ’ns op met die druktes en ga ’ns zitten.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
redderen , reddern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. redderen, kleine karweitjes doen Het lop nog wat te reddern, mar dan hef het ok alles an kaant (Oos), Hie reddert wat um hoes toou (Bal) 2. opschudden van de legge bij het dorsen (Zuidwest-Drenthe) De legge reddern deej mit de dörsstok (Smi), z. ook opreddern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
redderen , réderen , ridderen , 1) de boel overhoop halen; 2) organiseren
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
redderen , redderen , werkwoord , 1. opruimen, schoonmaken 2. zich redden, klaarspelen 3. verzorgen, uit een moeilijke situatie redden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
redderen , riddere , werkwoord , ridder, ridderde, geridderd , 1. opruimen, redderen Ik mot ôk m’n aaige nog opriddere en verders mot iederêên z’n aaige zaekie maor riddere Ik moet ook mezelf nog net aankleden en verder moet iedereen zijn eigen zaakje maar afhandelen 2. regelen Hij had alles in z’n êêntjie geridderd (’Ome Merien is geridderd’ riep de jongen. ’Wastie dan vuil? vroog opoe)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
redderen , riddere , beriddere , 1. organiseren; 2. druk bezig zijn
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
redderen , riddere , dominant regelen, druk bezig zijn , Óns moeder riddert mi gemak óns groot huishèèwe. Onze moeder regelt met gemak ons grote huishouden.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
redderen , riddere , werkwoord , druk in de weer zijn (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
redderen , riddere , zwak werkwoord , beredderen, regelen; Henk van Rijen - der valt hier nog hil wè te riddere - ... te regelen, organiseren CiT (106) 'Er valt hier nog hilwè te riddere'; WBD III.1.2:140 'rondridderen' = druk heen en weer lopen (rèttereere); WBD III.1.2:141 'ridderen' idem; WNT REDDEREN, RIDDEREN - l) Hetzelfde als REDDEN l) in orde brengen, voor elkaar brengen; opknappen, opruimen; 2) uit een moeilijke situatie helpen, in veiligheid brengen, voor ondergang behoeden
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal