elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: redelijk

redelijk , rêdelik , bij de Holl. tamelijk, matig, een gangetje, maar te Deventer, op streek [naar rede], heel goed. De seeke is noe rêdelik, heel wel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
redelijk , rellik , rein, zindelijk, in orde. Eig. naar rede, uit red-elik, [redelik] contr. rellik.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
redelijk , rellik , (bijvoeglijk naamwoord) , zindelijk, knap, redelijk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
redelijk  , raedelik , redelijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
redelijk , reitelik , netjes. Reitelike löie, reitelik volk, nen reiteliken keerl.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
redelijk , rellik , Zindelijk. Dan dit is veelligt een verbastering van reinelijk.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
redelijk , rellek , reelek , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , tamelijk, wel goed, behoorlijk, netjes in orde gemaakt; rellek wear, opdrogend weer
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
redelijk , rillek , bijvoeglijk naamwoord , redelijk. ’t Ziet ’r rillek goed öt. ’t Ziet er behoorlijk uit.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
redelijk , redelijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , redelijk De pries was wal redelijk (Bui), Ie mut wel een beetien redelijk blieven (Nam), Ik kan wel redelijk mit hum praoten (Noo), ...met hum opschieten (Sle), Dat is een redelijk mèens, daor valt wal met te proten (Exl), Der was redelijk veul volk (Eev), De vruchten staot er redelijk bij (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
redelijk , rolluk , rillijk , redelijk, tamelijk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
redelijk , redelijk , matig, gematigd
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
redelijk , redelek , redelijk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
redelijk , rillek , redelijk , Ze zin taonemekaor dét’ter sléécht ûtzag, ók al was't rillek, ge zé ûtgeschaokeld. Ze zeiden meteen dat het er slecht uitzag, ook al was het redelijk, je bent uitgeschakeld.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
redelijk , redelik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. verstandig, billijk 2. behoorlijk, vrij goed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
redelijk , rillek , redelijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
redelijk , rállek , ròllek , bijvoeglijk naamwoord , lichtelijk (Eindhoven en Kempenland); ròllek; lichtelijk (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
redelijk , rillek , rilleke , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , "redelijk; Ze stellen et er rillek goed. - Ze stellen het er tamelijk goed. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'rilleke', zi Paulus (D’16) zeispreuk: Het kan door de beugel; Daamen Handschrift (1916) - ""rilleke - redelijk, tamelijk""; Cees Robben – [Vraag van een vriend aan een zieke] Hoe is ter meej bruur...  Rillekes Jan.. Rillekes... (19600212); C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RILLEKE - redelijk, tamelijk (zie ook blz. 63); Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rillek bijvoeglijk naamwoord - redelijk"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal