elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rein

rein , rein , (bijvoeglijk naamwoord) , zuiver.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rein , rain , rein, in: rain vet = van een run = volkomen, niet schijnbaar maar inderdaad vet. Zie Gron. Volksalm. 1839 bl. 122.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rein , rein , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Schoon, geheel. Het peerd lîp de paole rein ümme. H(i)ee dronk zîn glas in (i)een keer rein ü̂̂t. De stók brak rein middendör. Zie ook o.a.: Vondels Leeuwendalers reg. 1295.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
rein , rein , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. Het woord is ongebruikelijk, daar men steeds schoon zegt, doch komt voor in de naam van een stuk land op Ruigoord; thans naar het schijnt onbekend. || Die reyne ven, Polderl. Westz. II (a° 1629).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rein , rein , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Schoon, geheel. Het p(i)eerd lîp de paole rein ümme. H(i)ee dronk zîn glas in (i)een k(i)eer rein ü̂t. De stòk brak rein middendö̂r. Zie ook o.a.: Vondels Leeuwendalers, reg. 1295.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rein , räin , [ræĭñ] , rein
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rein , réjn , vlies waarin het kalf zit als het geboren wordt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
rein , rein , rain , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook rain (Kop van Drenthe) = rein Volgens mij hef die vrouw gien rein geweten (Hoh), Dat is je reinste onzin (Ruw), De H. Maria was rein onbevlekt, zuiver (Eri), (zelfst.) Het was neit makkelijk om er weer met in het raine te kommen (Eel), Wij hebt het weer in het reine bracht (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rein , rèin , rein. ook rèng.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rein , rèèn , onrein, smerig, vuil
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rein , rèèn , bijvoeglijk naamwoord , vies (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rein , [nageboorte ] , rein , (vrouwelijk) , nageboorte bij een koe
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal