elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: remplaçant

remplaçant , rampêlzant , remplaçent, plaatsvervanger. Zie: oa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
remplaçant , ramplezánt , zelfstandig naamwoord de , Remplaçant, plaatsvervanger. Zegswijze ientje ’n ramplezant verkoupe, iemand een standje geven dat eigenlijk voor een ander bestemd is (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
remplaçant , rampelzant , ramplezant, remplezant, rempelzant , de , rampelzanten , Ook ramplezant, remplezant (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), rempelzant (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. remplaçant, vervanger voor de dienstplicht As de borgerzeunties niet in dienst wolden, dan zöchten ze een rampelzant (Hol), Vrogger waren der jonge kerels, die keer op keer rampelzant waren, tot veer, vief keer toe (Pdh) 2. ding of persoon van weinig waarde (Kop van Drenthe) Dat is een olde rampelzant, dat is een ding van niks (Row), Hai is aaltied al een ramplezant west, hai kun nooit zo goud (Rod) 3. rare vogel (Midden-Drenthe) Iene die wat bijzunder is, dan zeg wij wel: wat een raore rampelzant (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
remplaçant , rammelesant , plaatsvervanger, (voor iemand die in het leger moest).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
remplaçant , ramplesant , bijvoeglijk naamwoord , 1. (van personen) nogal gebrekkig (lichamelijk), enigszins ziek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
remplaçant , ramplesant , ramplesaant, rampelesant, rampelsant, ramplasant, , zelfstandig naamwoord , de 1. remplaçant, plaatsvervanger voor het vervullen van de dienstplicht 2. dier dat niets voorstelt, dat erg ziekelijk, gebrekkig is, ook: persoon die zwak of gebrekkig is of waar een steekje aan los is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
remplaçant , rammelessant , plaatsvervanger
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
remplaçant , raamplesaant , zelfstandig naamwoord , plaatsvervanger, o.m. in militaire dienst (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
remplaçant , rapplezaant , zelfstandig naamwoord , Pierre van Beek - plaatsvervanger; - verbastering van fr. 'remplaçant'; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw.vr. 'rapplesant' - remplaçant, (vroeger) plaatsvervanger in de krijgsdienst.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal