elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: regenen

regenen , regen , regenen; de regen zit vast; ’t wil nijt regen. Vergelijking: ’t regent dat ’t smakt. Zie ook: blad.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
regenen , regenen , (zwak werkwoord) , vgl. een zegsw. op goot.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
regenen , räägenen , [rǣn̥] , räägende [rǣŋdә], eräägent [әrǣn̥t] , regenen. Räägent het? [rǣŋdәt]: regent het? Het räägent grös en eandenäier: er valt groeizame regen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
regenen , reangn , werkwoord, zwak , regenen. t Reangt grùs en eannàjr, ’t is erg groeizaam
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
regenen , regene , werkwoord , in de zegswijze as ’t regent bai de boer, droppelt ’t bai pestoor, als het de boer(en) goed gaat, profiteert de pastoor daar ook van. – ’t Moet hard regene, as ik staande drinke ken, ik laat me niet zo gauw afschrikken door een regenbui.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
regenen , reejgene , werkwoord , regenen. 1. ‘t Reejgent dè ’t zèkt. Het regent dat het giet. 2. As ’t reejgent as de zon schènt is ’t kèrmes in de hèl. Als ’t regent terwijl de zon schijnt is ’t kermis in de hel. 3. Waor ’t hardste reejgent haawet ’t irst òp. Zegswijze. Waar de kinderen heel kort op elkaar geboren worden houdt dat gauw op. Zegt men.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
regenen , rèèng , rèèng, erèèngd , regenen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
regenen , regen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk, onpersoonlijk , regenen Het mag um mij wel warm water règen wens bij winterweer met sneeuw (Mep), Wij mussen opholden, wij waren der oetregend konden door regen niet meer werken (Sle), Het regent piepestelen (Zey), ...gras en kievietseier (Gro), ...jonge katten (Anl), ...bakstienen (Eri), ...dat het schit, ...as de zee het regent hard (Row), Het regent toorntjes (Vri) *As het peerdeogen regent, regent het morgen weer (Wap); As het regent en de zun schient, bakt alle heksen en hoeren pankoeken (Oos); Het mag bie hum wal regen, as het bie mie dan ok maar een beetje druppelt gezegd van geld verdienen (Bco); As het daor regent, drupt het bij oes als hij het goed heeft, krijgen wij er ook wat van mee (Wes) of As het op de iene regent, drupt het op een aander die krijgt dan ook wat mee (Smi); Het règent nooit gien twei dagen achter elkaar; der zit altied een nacht tussen (Hol); Het zal oe nog wel iens in de ogen druppen as het regent je krijgt je beurt nog wel (Zdw); As het regent in september / Is het kerstmis in december (Hgv), ...règent in november... (Flu); As het regent, dan regent het op alle daoken krijgt elk zijn portie (Eco); Hoe haarder as het regent, hoe eerder as het opholdt gezegd bij het krijgen van veel kinderen (Eke); Regen oet het oosten / Kuj je drei, zes, negen daogen troosten (Eel); As het 's zundags regent veur de preke / Regent het de hiele weke (Vle); As de zun schient en het regent, dan regent het mörgen weer (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
regenen , regenen , regenen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
regenen , rèègn , regenen. Kiek ’t is rèègn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
regenen , rèègene , regenen , Oover ‘n lutske gee’get rèègene. Over een tijdje gaat het regenen. Dadelijk gaat het regenen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
regenen , règenen , (werkwoord) , règenen, erègend , regenen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
regenen , rengele , regenen , ’t rengel wir = het regent weer- nou eegut toch n’n jillen dag gerengeld = nou heeft het toch de hele dag geregend- ja mar ’t kan beter rengele dan smosse = ja maar het kan beter regenen dan motregenen- ’t wor tijd da’dut wir is gaot rengele, want ’t wor nou wel jil èrug drwôôg = het wordt tijd dat het weer eens gaat regenen, want het wordt nu wel heel erg droog-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
regenen , ut règent dè ’t zèkt , het regent dat het giet
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
regenen , rengele , werkwoord , regenen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
regenen , raengele , raengeltj, raengeldje, geraengeldj , regenen , Es de zón sjientj en ’t raengeltj, is ’t kirmes inne hèl. Kinderversje: ’t Raengeltj, ’t zaengeltj de panne waere naat. Dao kwoeame twieë soldäötjes die vele op häör gaat.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
regenen , rèègene , rèngele , zwak werkwoord , rèègene - rèègende - gerèègend , regenen; ...daogs d’r nao règenden ut aauw wève op klumpkes... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Van Beek - 't Regent ouwe wijven mee klompen. - 't Giet. - 't Valt er mee bakken uit! (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); Cees Robben – ’t Règent ’t zêgent, ’t zeevert op de stad... (19540724); Ik vat er nog êene,/ ge weet et niemir/ oover en ketierke,/ dan rèègent et wir. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ge wit nôot ); Frans Verbunt - rèègent et in maaj, dan is april al lang vurbaaj; GD04 dèt oover en uurke begient te rèègene; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - reejgene ww - regenen; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rèègene (blz. 18, 144); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REGENEN en Règeren w. onp. - regenen; rèngele - [Tilburgs?] regenen; Henk van Rijen - 'rèngele, rèègene'; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RENGENEN w. onp. - regenen: ook RENGEREN - regenen (N. der Kempen); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - regeren, regelen - regenen (znl.) uit 'regenen' door dissimilatie; Hees rengele (IV:10); Str. rengele (2:67)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
regenen , raegene , raegende – geraegend , regenen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal