elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reumatiek

reumatiek , rimmetiek , kremetiek , rheumatiek; Zeeuwsch rimmetiek.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
reumatiek , rimmetiek , m , reumatiek.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
reumatiek , rimmetiek , voor rheumatische aandoeningen
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
reumatiek , rimmetiek , zelfstandig naamwoord de , Reumatiek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
reumatiek , [kwaal] , rimmetiek , rheumatiek.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
reumatiek , rimmetiek , reumatiek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
reumatiek , rimmetiek , rummetiek, reumatiek , de , Ook rummetiek, reumatiek = reumatiek Tegen rimmetiek helpt een ket um de arm, een iemensteek of kastanjes in de buus (Sle), ...een kruuk der tegen of een zakkie hiet zaand der tegen an of wollen lappen der umme toe (Klv), ...een viele onder bedde of bestrieken mit braanekkels (Dwi), ...een holtie zunder èend (Eex), ...kastanjes in de buksepiepe (Ros), ...inwrieven met kamferspiritus en soms ok hete koffie der over (Bei), ...insmeren met aolde russel (Zey), ...rode watten en ok wel koolbladen (Zwe), Vrouger zetten ze een fles mit jenever mit de kork der of in een mieghammelnöst. Dagen later haalden ze hum weer op, de mieghammels weurden der oet zeefd en dat dronken ze tegen rimmetiek (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
reumatiek , rimmetiek , reuma , Veul mènse klaoge van rimmetiek én dé's 'n kwaol wór ge nie héndeg mér af komt. Veel mensen klagen over reuma en dat is een kwaal waar je niet makkelijk vanaf komt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
reumatiek , rimmetiek , zelfstandig naamwoord , de; reuma, reumatiek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
reumatiek , rimmetiek , zelfstandig naamwoord , reumatiek Hij was stijf van de rimmetiek, ’s nachs sliep tie bekant zittende of z’n bêêne stakke de lucht in Hij was stijf van de reumatiek, ’s nachts sliep hij bijne zittend of zijn benen staken in de lucht
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
reumatiek , rimmetiek , (zelfstandig naamwoord) , reumatiek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
reumatiek , rimmetiek , reuma , d’n dieje kan bekaant nie mjeer lwôôpe want hij stikt van de rimmetiek = hij kan bijna niet meer lopen want hij heeft reuma-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
reumatiek , rimmetiek , reuma
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
reumatiek , rimmetiek , reumatiek; krematiek (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
reumatiek , rimmetiek , zelfstandig naamwoord , reuma (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; West-Brabant); rimmetiek; reuma (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
reumatiek , [reuma] , rimmetiek , rummetiek , (mannelijk) , reuma
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
reumatiek , rimmetiek , zelfstandig naamwoord , rheuma(tiek); Cees Robben – Om rimmetiek te weere (19570706); Piet van Beers – ‘Plannen zat’: En ons Keej,... draogt vur der rimmetiek/naa wèèrme onderbroeke. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Vur snaags hamme AaBee. Wolle deekes. Goed vur teege de rimmetiek. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); WBD III.1.2:305 'reumatiek' = reumatiek; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; znw. en bijvoeglijk naamwoord 'rimmetiek'; znw.o. reumatiek; WNT RHEUMATIEK - naast RHEUMATIEK komen een groot aantal vervormingen voor, o.a. ram(m)atiek, ro(e)matiek, rimmetiek.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
reumatiek , rimmetiek , reumatiek
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal