elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: richt

richt , [kortste weg] , richt , in d’richt = het naast, de kortste weg; ook Gron. Oostfr. Neders. Westf. – OHD. rihte = in rechte richting.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
richt , rich , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , richtr, richst , kort, van weg
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
richt , richt , zelfstandig naamwoord , rechte lijn, richting. 1. Sjèfke is ’ne kwaoje ploeger. Hij kan omtrent gin richt haawe. Hij kan geen rechte voor ploegen. 2. Dè’s ’n ènd öt de richt! Da’s een eind uit de richting, een hele omweg. De gerichtste weg is de kortste weg.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
richt , richt , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. richting Ik bin nog even langs mien moe gaon, het lag in de richt (Coe) 2. de kortste weg, binnendoor Gao de straot mar niet in ’t ronde. Gao mor binnendeur, dan kuj een mooi eind in de richt scheren (Oos), Aj in de richt loopt, hej de körtste weg (Scho), (fig.) Ik scheer van de week mor een beetien in de richt, ik kom overal niet an toe maak me er gemakkelijk van af (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
richt , riecht , richtinggevoel , Diejen boer die hi goej riecht, héij ploegt meej z'n pérd kaorsrééchte vóóre. Die boer heeft een goed richtinggevoel, hij ploegt met zijn paard kaarsrechte voren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
richt , richt , zelfstandig naamwoord , richting (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal