elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: richter

richter , richters , soort van posten, in den houthandel. Zie o.a. Gron. Cour. 1876, n◦ 199. – Ook voor eenige aardappelsoorten; zie: elfringen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
richter , rigter , richter , (ouderwets), iemand die recht moest spreken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
richter , richter , zelfstandig naamwoord , lange plank die over een sloot ligt; soort bruggetje (LPW: IJss)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
richter , richter , de , richters , (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) = zware boomladder ‘Een richter: twee lange stevige palen met dwarslatten, model van een ladder, maar zwaarder. Ruwe palen. Daarin of daarop werden twee planken gelegd. Gebruikt om over kuilen te kruien in plaats van met een post’ (Eri), Een richter kwam van het hoge naor het lege um er dan over te krulen over de lösse koele (Geb), Over een richter weur krooid bij het splitting graoven veur de onderste lichting (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
richter , richter , zelfstandig naamwoord , de; kouter, ploegijzer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
richter , richter , zelfstandig naamwoord , loopplank (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal