elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijden

rijden , [weven; maken] , rijden , voor weven, komt meer dan eens voor in het 2e art. en volg. der 2e additie op den Lakenkoopers gildenbrief te Breda. Hiervan is nog overig eigen gereed linnen. Zie wijders den Heer WEILAND, op reeden.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
rijden , rijden , (transitief werkwoord) , bespringen, dekken. De koe wil rijden; hij heeft zijn koe van een vreemden stier laten rijden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
rijden , rîden , (sterk werkwoord) , rijden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
rijden , rieden , (rijden) = afgewezen worden, niet slagen op een examen. Studentenwoord; hij is reden op de anatomie = de professer het hōm rieden loaten op de anatomie = in dat vak heeft hij onvoldoende antwoorden gegeven. Volgens IJpeij: rijden, oudtijds = trillen, beven; Friesch rijdelen = trillen, beven van koude.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijden , ridt - voart , iets koopen zooas ’t ridt en voart = zooals het is, in zijn tegenwoordigen toestand, “met goed en kwaad, zooals het (land) zich bevindt in zijne einden en zwetten, met lusten en lasten, servituten en zwarigheden.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijden , rîjen , Rijden. Op de bessem rîjen – diarrhee hebben.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
rijden , rijden , (sterk werkwoord) , vgl. rijdend, overrijden, rijslei en gerit.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rijden , rijen , Rijden. Op de bessem rîjen – diarrhee hebben.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
rijden  , rieje , rie, ries, riet, reej, gereje , rijden. Op ein hüske rieje, iets stuk rijden, b.v. wagen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
rijden , riien , [rīeñ] , reed, eriien; ik rie-e, dů ridst, hei rid, wi, i, zei riiet; ik reed [rē], dů reedst etc. , rijden (op een dier)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
rijden , rien , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rieje, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: r , rijden, op een dier. Wee’t vuur de veerteg rit, mut noa de veerteg loopm, wie zich in de kracht van ’t leven niet inspant en spaart, moet later armoe lijden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rijden , réêje , m , ’m réêje zich kwaad maken; ’m réêje as de ziekte, ’nen oûwen diêf boos zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rijden , raaie , werkwoord , 1. Rijden. 2. Dekken. | Die koe moet reden worre.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rijden , rije , werkwoord , 1. boos worden. 2. geschenken brengen. 1. Hij is z’n lotje kwèèt waor ’ne prèès òp viel en naaw rijt-jem toch! nou is ie toch kwaad! Hij rijdt ’m as de ziekte! 2. Maar ook Sinterklaas rijdt. Niet alleen op zijn schimmel, maar ook in de schoen die gezet is, of op tafel. Hier betekent het: geschenken brengen. Hè Sinterklaos (ook: Sindreklaos) goed gereeje? Dè wèl dè. Hil de toffel stòn vòl.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rijden , rien , reed, erene , rijden
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rijden , rien , rieden , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook rieden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. rijden Ze bint um acht ure weg egaone, ze reen achter menare an (Ruw), Op dat pèerd kuj niet rien, het is een smèerlap (Sle), Hij hef hum de hoek van het hoes der oet reen (Emm) 2. drijven (Zuidwest-Drenthe, zuid) Zij ridt hum achter het gat (Hgv), As de ondeugde hum ridt als de zonde hem drijft (be:Zdw) 3. kwaad worden Hij ridt beheurlijk laat zich op de kast jagen (Die), As ie wat slecht van zien voetbalclub zeggen, dat ridt hij hum (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rijden , rijen , rijden. hij rijtm, hij zit in de problemen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rijden , rieden , rîên , rijden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: rîên
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rijden , rien , riejn , ik rie / ree; iej riedt / reen; hie ridt / reed; wie riedt / reen , rijden. Hie ridt veuls te hârd. Ik heb hârd ereen. Wie reen naor huus; wie bint naor huus ereen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rijden , réije , rijden , Dé mès is zó bót dég'ger óp'pew blóóte kónt meej nôr keule kunt réije. Dat mes is zo bot dat je er op je blote kont mee naar Keulen kunt rijden. Het mes is ontzettend bot.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rijden , rieden , werkwoord , 1. zich voortbewegen met behulp van een dier waarop men zit 2. een rijdier besturen terwijl men erop zit 3. zich voortbewegen m.b.v. een voertuig 4. door tegen iets of iemand aan te rijden om doen vallen, beschadigen, verwonden, kapot doen zijn enz., door ruw te berijden beschadigen enz. 5. (van voertuigen) zichvoortbewegen 6. ineenvoertuig vervoeren 7. geschikt zijn om zich erop, erover voort te bewegen 8. berijden, rijdend zich over iets voortbewegen 9. heen en weer schikkend, wippend, ongedurig zitten 10. schaatsenrijden 11. paren, dekken (door viervoetige dieren) 12. in ’m rieden, him rieden: boos worden; ook riedelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rijden , rije , werkwoord , rij, ree, gereeje , 1. rijden 2. erg kwaad zijn Hij ree’ ‘m as een dief Hij was erg kwaad; Ze was niete rije of te lêêne Ze was niet te genieten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
rijden , réíje , rijden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rijden , riejen , ri’jen, rieden , (werkwoord) , rid/riejt, reej, erejen , 1. rijden.; 2. (wederk.) Em riejen ‘zich druk maken, zich opwinden’. IJ rid em as een dief ‘hij knijpt hem als een dief’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
rijden , rije , gepikeerd, boos zijn
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rijden , rije , kadootjes brengen door Sinterklaas , Sientereklaos en Assiepan rééje in de nacht van 5 op 6 december = Sinterklaas en Zwarte Piet brachten in de nacht van 5 op 6 december cadeautjes-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rijden , rèèje , reej, gereeje , rijden, tekeergaan , Plat rèèje. Lekke band rijden., Ik kan ’m toch zu rèèje, as de pliesie wir is niks duu. Ik kan toch zo tekeergaan als de politie weer eens niets doet.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rijden , rééje , werkwoord , rijden (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rijden , rieje , rietj, reej, gereje , 1. rijden op een paard 2. cadeautjes brengen , Sinterklaos rietj mèt zie paerd op ’t daak.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rijden , rije , sterk werkwoord , "rijden; B rije - reej - gereeje; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - rije; Van Delft - ""Het is met haar rijden en omzien."" Dit is: Zij is zeer bij de hand. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929); Pierre van Beek – Met een vrouw, waarmee het ""rijden en omzien"" is, heeft men het getroffen want die gaat voor bijdehand door. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 8 april 1950); Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Jaa, dan reeje we sondags dan hier es nòr toe èn dan daor es nòr toe, dan es nòr Rotterdam èn dan wir es en ènd vèrder èn zôo èn dan, èn dan gong we nòr de Acht Zaligheden zôo èn dan din we zôo wè rondrije zôo, en liefhèbberij zo mar es, hè. Ik had em eigelek zo mar vur de liefhèbberij!”; WBD (Korvel:) mis rije - mest naar de akker brengen; WBD (Hasselt:) gier rije - gier uitrijden; WNT RIJDEN, in de spreektaal, de gemeenzame schrijftaal en het rijm ook RIJEN; Sinterklaas; - uitdrukkingen: 'op tòffel rije' - in de nacht van 5 op 6 december de geschenken brengen op de cadeautafel; 'in de schoen / klomp rije' - sinterklaas laat kleine cadeautjes achter in de schoen die de kinderen gezet hebben. En 't wier dan Siendereklaos, - ik zal et nooit vergeten! - de heilige Man ree heel veul suikergoed en koek (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Mijn irste broek, 1941); - Dan had Siendereklaos op tòffel gereeje. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); Andere betekenissen; WBD van een koe: bronstig op een andere koe springen, ook 'brulle' genoemd; Hij rijdt em - hij is kwaad, opgewonden; WBD III.4.2:25 'rijden', ook: 'bespringen', 'dekken'; Pierre van Beek - laote ligge rije - laten slingeren; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rije ww - boos worden; geschenken brengen; reej - verleden tijd van 'rije'; reed; uitdrukking: Hij reej em - Hij was kwaad, opgewonden; - 3e pers. enk. verl. tijd van 'rije': reed, met d-apocope"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rijden , rie~je , reej – gereje , rijden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal