elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijder

rijder , rieder , zie: diktun.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijder  , reier , rijdende artillerie.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
rijder , raaier , zelfstandig naamwoord de , in de combinatie rooie raaier, ruis- of rietvoorn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rijder , rieder , de , rieders , rijder Bij het hardlopen gaven zuk een boel bekende rieders op (Nor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rijder , riejer , rijder. In zien jonge jaorn is ’t altied ’n goeie riejer ewes.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rijder , rieder , zelfstandig naamwoord , de 1. schaatser 2. in goolden rieder bep. munt: gouden rijder
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rijder , rijer , zelfstandig naamwoord , mannelijk konijn (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal