elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijeren

rijeren , reeren , (werkwoord) , (ee = ë) bibberen, beven. , Gij reert van schrik.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rijeren , réêjere , bibberen, rillen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
rijeren , rie:re , beven.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
rijeren , rèère , werkwoord , beven, rillen. Hij stòn te rèère as ’n rietje.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rijeren , rèieren , rillen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rijeren , rèère , bibberen , Ze zat óp der're stoel te rèère. Ze zat op haar stoel te bibberen. Ze zat op haar stoel te rillen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rijeren , réíjere , rillen ( van de kou)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rijeren , rijgele , riere , beven, bibberen, bibberen van angst. , hij zit te rijgele van de kou = hij zit te bibberen van de kou- hij is zo verschrokke dattie n’n dag laoter nog zaat te rijgele van de schrik = hij is zo geschrokken dat hij een dag later nog zat te beven van schrik-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
rijeren , rèijere , bibberen, trillen , Hèij rèijert ás ’n rietje. Hij bibbert als een rietje. Hij is doodsbang.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
rijeren , reejere , rèère, riere , werkwoord , rillen (Land van Cuijk); rèère; bibberen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant); riere; bibberen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rijeren , riejere , riejertj, riejerdje, geriejerdj , bibberen, rillen , De kommuniekentjes riejerdje vanne kaoj in die dun klèdjes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
rijeren , rèère , zwak werkwoord , rèère - rèèrde - gerèèrd , "beven, rillen, bibberen; et meens rèèrde van de kaaw; D’16 ""raire - beven""; Pierre van Beek – Daar hebben we dan het werkwoord ""reiren"", dat voor ""beven"" gebruikt wordt. ""Hij reirde as 'n rietje"" zegt men en geeft er nog 'n alliteratie gratis bij. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950); WBD 'rèrren', 'rèrre' (van een paard) - bevend schudden met de huid, ook genoemd 'bibbere'; Cees Robben – Ik begien er van te rèère... (19561208); Cees Robben – Biljerten... en zonder te rèèère [sic] (19571221); Cees Robben – Van den drift te rèère... (19710102); De R die komt wir in de mònd/ de heur ik nie zo gèère/ Ak innerzjie bespaore moet/ zak dikkels zitte rèère. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘De R van rèère‘); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rèèren as en waoterhoentje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964); ""Och Eerwaarde"" zi Betje, terwèèl ze wè rèèrde,/ ""Ik wil teege jou nie gòn katte./ Al is jouw bediening van nòg zoveul wèèrde,/ ik hèb me bedòcht, ik blèèf tòch mar op èèrde. Tot dèsse ineens van kaojeghèd zeej:/ ""Ik lig vur piet snòt hier, Gòddoome!"" (Henriëtte Vunderink, Kaawe jatte, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww. intr.'rijeren' - rillen, bibberen, beven. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RIJEREN (réére) onov.ww - rillen, beven, sidderen: iteratiefvorm van 'rijen'. WNT vermeldt ook rijelen (= rillen) en rijderen. WNT rijeren - daarnaast rijderen - onz.zw.ww., frequentatieve vorm van rij(d)en. Rillen, bibberen, sidderen, huiveren. Hetzelfde als rijelen. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RIJDEN hoort men door de dorpelingen der Baronie van Breda bezigen voor 'beven'. Het is afgeleid van het oude rijde, ridde, rede, koorts. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - REIJEREN - schudden, beven. Z.a. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rèère - ww - beven, rillen; Hees rieren (II:45); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rieren, rijere - bibberen (brab., limb., vel.); WNT RIJEREN - daarnaast RIJDEREN - frequentatieve vorm van RIJ(D)EN - rillen, bibberen, sidderen, huiveren; WNT: Rijeren - Rillen, bibberen, sidderen, huiveren. Hetzelfde als Rijelen. In N.-Nederl. verouderd. Rijderen, rijeren. Tremere, trepidare, intremere, palpitare, horrere, KIL. — Ick schudd' end reyer seer verschrickt; Anxt ende vrees heeft my verstrickt, MARNIX, Ps. 55, 3. God … sach toe ende dede de Heydenen reyeren, MARNIX, Geschr. 2, 711. Rijeren van de körts, CORN.-VERVL. --WBD III.1.2:211 'rijderen' - bibberen; WBD III.1.2:212 'rijderen' = huiveren"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal