elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rijt

rijt , riet , rijt, rijte , in geschrifte ook rijt, en rijte; een kanaal van geringe lengte dat het binnenwater verder zeewaarts voert, bv. de Noordpolderzijl-riet, en aan het Reitdiep de beschoeide uitwatering van een kanaal in dat voormalige riviertje, buiten de sluis, waar men vindt: Aduarderzijl-riet, Schaphalsterzijl-riet, Schouwerzijl-riet, en Kommerzijl-riet. Vóór de afsluiting van het Reitdiep waren deze rieten tevens zoovele havens of ligplaatsen voor schepen. In den Dollert de Noorderriet, eene breede geul in het slijk van een natuurlijk afwateringskanaal. Voorts de Tjariet, een riviertje in Fivelgoo, en de Olde riet, die van de Leenster Tillen naar Houwerzijl loopt. Friesch ride, rid, riet = gracht, waterloop; Kil. rijte = rete, splete, en = kanaal; Oostfriesch ride = natuurlijke waterleiding, riviertje vóór in ’t Wad; Nedersaksisch rite, een klein water wanneer het in ’t land indringt. Oud-Friesch reed, Angel-Saksisch rith, Noordfriesch riede, rie, riet = gracht, waterloop; Oud-Hoogduitsch ritha, van: rijten. Oud-Friesch (Wiarda): reed, renda = scheuren, verscheuren; reed, eene kleine beek, wijl zij eene scheur, reet, in het land maakt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
rijt , rijt , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , geen meerv. Drek van honden. || Rijt is wat de hond schijt. – Het woord is waarschijnlijk verwant met Ned. rit in kikkerrit, kikvorsenschot, dat vroeger ook in de vorm rijt voorkwam; vgl. Passionael Somerstuck (ed. 1489), ƒ° 83 a: “ende gaven hem al heymelic een vorschen rijt te drincken”. Oost-Fri. rid, poggenrith.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
rijt , riet* , in geschrifte: rijt, rijte.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
rijt , riet , 1. afwateringssloot 2. klein zijriviertje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rijt , rijt , beek of waterloop.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rijt , réét , zelfstandig naamwoord , waterloop (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal