elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ritsen

ritsen , [wijken, zwichten] , ritsen , (werkwoord) , "wijken, zwichten; meest in een dergelijk gezegde: Jan is al rits, die is: vertrokken. Die jas zal gaauw rits zijn, dat is: versleten wezen."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ritsen  , rietse , snel iets wegnemen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ritsen  , ritse , scheuren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ritsen , ritsen , iets klaar kunnen krijgen, presteren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ritsen , ritsen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. scheuren, trekken Hij ritst het geld haost oet joen handen (Bco) 2. glijden Het touw ritste mij oet de handen (Gas) 3. een gleuf maken De bomen, die er oet moet, bint allemaol ritst gemerkt met een inkeping (Hijk), Bonen ritsen sleuven maken voor het poten van bonen (Bei) 4. bolwerken, voor elkaar maken Hij kun het niet mèer ritsen, hij mus het zaakien verkopen (Sle), Wij kunt het nog net ritsen veur twaalf uur (Bor) 5. afhalen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) Ze waren an het bonen ritsen veur de conservenfebriek draden verwijderen (Hgv), Albeern ritsen de trosjes er aftrekken (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ritsen , ritsen , werkwoord , 1. ritsen: met een snijdende beweging inkerven, een inkeping e.d. maken, ook gezegd van het maken van een v-vormig greppeltje waarmee men uitzet, afgrenst 2. met een snijdende, scheurende, afstropende beweging van iets trekken, uit elkaar trekken 3. met een snelle beweging aan elkaar zetten, vastzetten 4. met een grissende beweging ontnemen, afhandig maken 5. met een snelle, glijdende, vaak schurende beweging ontschieten, door de handen gaan 6. met een snelle, evt. glijdende beweging gaan 7. bolwerken, het volhouden in financieel opzicht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ritsen , ritse , werkwoord , rits, ritste, geritst , dekken (van vee) Ook trekke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ritsen , ritsen , vluchten, weglopen. (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ritsen , ritse , werkwoord , afstropen, snel heen en weer gaan, er vandoor gaan (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ritsen , ritse , zwak werkwoord , "snel, nerveus en bedrijvig ergens heen gaan; WBD III.1.2:90 'ritsen' = weggrissen; ook: 'gritsen, ratsen'; WBD III.1.2:l49 'ritsen' = door een staand gewas lopen; WBD III.1.2:157 'ritsen' = beweeglijk rondlopen; ook 'rondritsen'; WBD III.4.4:305 'ritsen' = rijgen; 306 'ritsen' = afritsen; ritse - ritste - geritst; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITSEN - vlug loopen, vliegen, snel door de lucht varen. WNT RITSEN (IV) Van het in z.-nederl. dialectwdbb. voorkomende 'ritsen': ""wegloopen, ijlings, stillekens heengaan, opstelen, vluchten, wegsluipen, wegvluchten, vlug loopen enz. is verwantschap met 'rijden' hoogstwaarschijnlijk. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww. intr. 'ritsen' - vlug en licht lopen. Goem. RITSEN - ritse wkw (rg.) - hard loopen; WNT RITSEN (IV) ... zich wegpakken, maken dat men weg komt, er van door gaan"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal