elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roest

roest , [dwerg] , roest , dwergje. Zie ruddeken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
roest , roest , "stok, waarop ’s nachts de hoenders zitten; roest is wellicht verbasterd van rust, rusttakje voor vogels."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
roest , [wildzang] , roest , soort van schimpwoord, maar niet in slechten zin: roest van ’n jonkien. In Gron. zegt men hiervoor rōst, inzonderheid tegen meisjes die niet gezeggelijk zijn. Zie: doerjak.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roest , rûst , (mannelijk) , roest.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
roest , rûst , (vrouwelijk, onzijdig) , roest.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roest , roust , rōst , (= roest); eene ziekte in het koren, brand in ’t graan. Drentsch roest, en: rood; Hoogduitsch Rost, Deensch rust. Aldus om de overeenkomst van kleur met ijzerroest. Vgl. v. Dale art. roest 2.
rōst, schimpwoord voor kinderen, inzonderheid voor kleine meisjes, zooveel als: iechel, rōb, enz. Zal staan voor: roust, eigenlijk = roest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roest , rōst* , eigenl. = roest.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
roest  , roes , roest.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
roest , roest , roestig, verroest ’t Hoefiêzer is roest Het hoefijzer is verroest.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
roest , rost , 1. roest. 2. kwoad rost = venijnige vrouw of meisje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
roest , roest , de, het , 1. roest Ik heb een fiets kocht, maor het was één bonk roest (Wes), Ik kun die schroeven niet lös kriegen, het was almaol roest (Zwig), Het is roest um old iezer lood om oud ijzer (Die) 2. soort schimmel Wij hebt roest op de tarwe (Klv), ...erpel (Sle), ...bonen, rogge (Dwi), ...kruusdoorns (Gro), Rooie roest op de gerst (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roest , rost , de , rosten , (Zuidoost-Drents zandgebied) = kwajongen Dat is een rost, ...prugel van een jong (Odo), z. ook roest
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roest , roest , roes, rost , de, het , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook roes (Zuidoost-Drents veengebied), rost (Noord-Drenthe) = 1. persoon met verschillende eigenschappen Wat een ondeugende roest (Pdh), ...kwaod roest (Row), Het is een roest van een jong, ij moet hum in de gaten holden wel bij de hand, maar ook een beetje gemeen (Sle), Dat is toch zo’n starke rost van een kerel (Dro), Dat roest is verrekte ondeugend (Gro), Dat wicht mag ik niet, het is een kwaod roest (Eex), Het is toch zo’n roest, nou zat ie baoven op het dak ondeugend (Hol), z. ook robbe 2. van dieren (Zuidoost-Drents zandgebied) Het is een aold roest van een zwientien geen best varken (Sle) 3. woest meisje, meisje van mannelijke geaardheid (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roest , roest , roest
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roest , roes , roest. ’t Is veur old roes verköf.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roest , roest , zelfstandig naamwoord , et, de; erg bijdehand, fel, of venijnig iemand, ook wel van dieren gezegd; bijv. Wat een kwaod roest venijnig, fel iemand, vooral van een kind, kleine vrouw, kleine kerel gezegd; een roest van een kerel een harde werker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roest , roest , zelfstandig naamwoord , de 1. roest (op ijzer, staal e.d.) 2. slaapstok 3. bep. plantenziekte: roest, vooral: de vlekken, schurftachtige oppervlakte van blad, stengel, vruchten waardoor deze aantasting zich manifesteert
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roest , roest , stok in het kippenhok waar de kippen op gaan zitten als ze gaan rusten
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
roest , roest , zelfstandig naamwoord , kippenhorde, houten geraamte waar de kippen op slapen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
roest , ros , rost , (mannelijk) , roest
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
roest , roest , zelfstandig naamwoord , hoenderstok; Cees Robben – [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee ’n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709); Cees Robben – ...en [het vogeltje] van de roest viel van verdriet... (19600603); WBD kieperoest - kippenzolder; WBD hènneroest, (Hasselts:) roest - kippenhorde (een latwerk, vaak niet meer dan een oude egge, opgehangen in de achterstal, bereikbaar langs een kippenladdertje, voor de kippen dienend als slaapplaats); WBD III.4.4:154 'roest' = kwartszand; WBD III.4.4:200: 'roesten' = blijven hangen; WNT ROEST (II) l) de rust- of slaapplaats der hoenderen; idem van andere vogels; 3) te roest gaan - gaan slapen; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - rust, znw.m. 'roest' - latwerk in het hoenderhok waarop de hoenders slapen. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEST, RUST znw.m., niet v. - hoenderrek, staak waarop de hoenders slapen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal