elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rossen

rossen , rossen , de o bijna als u, = wrijven.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
rossen , ròskn , werkwoord, zwak , Roskammen; aardappels wieden met een drietand
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
rossen , rosse , werkwoord , in de zegswijze ’m rosse. 1. goede zaken doen. | Hai het ’m van ’t jaar rost mit de bloemkool. 2. het er goed van nemen, uitbundig feestvieren. – Den ros je ’m ok, dan ben je ook in de weer! | Hai het ’m rost op de brulleft. Mogelijk is rosse hier een variant van rotsen = wild, woest rijden. Vgl. het N.E.W. onder rossen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
rossen , rösse , werkwoord , stevig wrijven.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
rossen , rodden , rodden, erod , snel rijden; * zie goat doar rodden op de fietse: ze zijn daar aan het crossen op de fiets.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
rossen , rossen , zwak werkwoord, overgankelijk , hard wrijven Ros mij de rugge ies even; het jeukt mij zo (Klv), Doe most dat peerd goud rossen, dan komp de hoed los (Bco), Neie eerappels muj eerst even flink rossen mit een olde klompe, dan hej ze zo schone (Ruw), ...rossen mit een stok (Row), Wij rost de erpel over de taofel, dat de kienen der ofgaot (Sle), Der zit nog veul roet in de erpel, ik zal ze nog even rossen met de ege (Emm), De pan was zo anbraand, hij kun er neit tegen rossen om hom weer schoon te kriegen (Pei), Ik wil het dikste stof er wat ofrossen (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rossen , rossen , de dieren borstelen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
rossen , ròssen , (Gunninks woordenlijst van 1908) roskammen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rossen , ròssen , (Gunninks woordenlijst van 1908) slaan
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
rossen , rotsn , rossen. Hen en weer rotsn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
rossen , rösse , schurken , De koej hébbe lûis dènk ik want ze stôn ammel te rösse én te schoere. De koeien hebben luizen denk ik want ze staan zich steeds te schurken en te schuren.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rossen , geröst , aangepakt , D’n dieje die hébbe ze's goed geröst én't was nie tevruug, wa is't toch ne mötte. Die jongen hebben ze eens hard aangepakt en het werd tijd, wat is 't een kwajongen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
rossen , rossen , werkwoord , rossen, woest rijden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rossen , rossen , werkwoord , 1. maken van harde, wrijvende bewegingen (op iets) 2. door slaande, borstelende bewegingen reinigen, ontdoen (van) 3. dooreenschudden, vaak: om schoon te maken, vgl. de eerpels rossen in de zak om ze schone te kriegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rossen , rosse , borstelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rossen , rotsen , 1. mengen; 2. hardhandig wassen (Putten); 3. zie ratsen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
rossen , rösse , werkwoord , schuren, wrijven (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
rossen , ròsse , zwak werkwoord , WBD ròsse - roskammen (van een paard), ook genoemd 'ròskamme' of 'afbuune'; WBD III.3.1:388 'rossen' = wild, woest rijden; ròsse - ròste - geròst; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROSSEN - hard aan iets werken. Vgl. 'rosse'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
rossen , rösse , zwak werkwoord , rösse - röste - geröst , "wrijven; Damen handschrift 1916 – ""rössen - ze hebben hem ongemakkelijk geröst (klopgegeven)""; Damen handschrift 1916 – ""rössen - iets aafrössen (afwrijven)""; 't Was net of Onze Lieve Heer z'n verfdoos leeggerosen hô, de liste kladdekes hier en daor nirgesmeerd, en toen bij z'n eige gezee hô: Zie zoo, ik schaai er dees jaor aaf mee verven... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); Cees Robben - Prent van de Week - ge röst em ene keer oover zen bikkeltje; Frans Verbunt - 'hij röst erteegenaon'; Hees ruise (IV:32); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ruisen - wrijven (znl., wnbr.); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIS(CH)EN (uitspr. rössen) - wrijven, schuren, fr. frotter. Mee 'ne wolle' lap over 't zilverwerk r. fig. hard werken. Goem. RUISCHEN - wkw (rg.) wrijven: mijnen schoen ruischt; bet. ook: slaan, overslaan: iem. -, en dan meer 'afruischen'; in 't spel: overwinnen. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww.intr. 'russen' - met grote kracht (ergens over) wrijven. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUISCHEN, zie RUIDSCHEN: wordt hier veel gebruikt voor 'wrijven, schurken of kraauwen' ter verdrijving van jeukte, omdat degenen die de RUID (= rui) hebben, gewoon zijn zulks te doen. Meestal spreekt men van 'ruischen'. Z.a. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RUISEN (rösse) ov.ww - wrijven, schurken. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - rösse ww - stevig wrijven; WNT RUISCHEN - een nog thans in Z—Nederl. gebruikelijk woord voor 'wrijven'. Naast 'ruischen' vermeldt Kiliaan 'ruidschen', een vorm dien men ook in Hoeufft vindt, doch die daar (evenals bij Kiliaen - ) onder invloed van een onwaarschijnlijke etymologie (van ruid: schurft) kan staan ... l) wrijven, schuren; 2) hard werken; Kiliaen - RUYDSCHEN - scabere, fricare, confricare, terere, atterere; CiT (112) 'Z'hebbener wir lilluk tegenóngeröst'; WBD III.1.2:56 'afruisen' = een pak slaag geven; ook: 'afranselen'; WBD III.1.2:56 'ertegenaan ruisen' idem; WBD III.1.2:76 'ruisen' = wrijven; ook: 'strijken, frotten'; WBD III.1.2:103 'ruisen' = krabben; WBD III.4.4:247 'ruizen' = ritselen; WBD III.1.2:247 'ruisen' = suizen; ruizen = suizen; HAOR RUSSE - wrijven, schuren"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal