elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruggenstreng

ruggenstreng , rugstrank , rugstrang , (mannelijk) , ruggegraat.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ruggenstreng , ruggestrang , m , ruggegraad.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ruggenstreng , ruggestrânk , ruggegroat.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
ruggenstreng , ruggestrèng , zelfstandig naamwoord , wervelkolom.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
ruggenstreng , ruggestreng , de , 1. ruggegraat, vooral van dieren Mit slachten wörde de roggestrenk er uut esnene (Ruw), Wij hebben een hele ruggestreng kocht (Eri), Wat is hij mager, ie kunt de ruggestrenge deur het bezoen hen zien (Noo), Mens en dier hef een ruggestreng (Scho) 2. deel van de zeel (Midden-Drenthe) De ruggestreng is een zeel, die under de staart deurleuip (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruggenstreng , roggestreng , roggestring , zelfstandig naamwoord , de; ruggenstreng (bij dieren)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruggenstreng , ruggestrank , ruggenwervel; ruggenstrenge, ruggengraat (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ruggenstreng , ruggestrang, rugstrang , zelfstandig naamwoord , wervelkolom (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ruggenstreng , [ruggengraat] , rögkestrank , (mannelijk) , ruggengraat , Eine rögkestrank höbbe: standvastig zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ruggenstreng , ruggestrang , ruggestrèng , zelfstandig naamwoord , PM ruggestreng, ruggegraat, wervelkolom; Cees Robben – [Moeder tegen een kind dat door haar in bad wordt gedaan na een dag van buiten spelen] - Den hillen dag speule en rondbolliën dè kunde war, mar akkoe saoves over oewe ruggestrang roefel, dan begiende te brellen as unne jongen hond die op zunne verjaordag verzopen wordt... (19650514) [met roefele wordt de ruggengraat hier vergeleken met een wasbord, de roefel]; WBD III.1.1:128 rug(gen)strang', 'ruggenstreng' = ruggengraat; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RUGGESTRANG m - ruggegraat; WNT RUGGESTRENG, voorheen ook en nog thans in Z.-Ned. RUGSTRENG, -STRANG, znw, vr. Nd. rüggestrang, enz. Z.a. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'rugstrank' - ruggegraat. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUGSTRANG, RUGSTRENG znw.v. - ruggegraat; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - ruggestreng zelfstandig naamwoord - wervelkolom
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ruggenstreng , rukstrank , ruggengraat; wervelkolom
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal