elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruien

ruien , rurigen , Tw. ruijen. freq. van ru-en. Isl. at rya, plukken, scheren. Rudr saudr, geschoren schaap. Hd. act. sich rauhen, [zich plukken] en neutrum rauhen, ruijen. Het Holl. ruijen is dezelfde vorm als Overijs. reuyen. Kil. ruiven.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ruien , ruizen , ruizelen , (werkwoord) , ruiën, dat is: van vederen verwisselen van vogels.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ruien , reuien , opzwellen, oploopen, uitslaan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ruien , rü̂̂en , (zwak werkwoord) , opruien, aanstoken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ruien , rüüen , [rǖeñ] , zwak werkwoord , ruien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ruien , ruun , werkwoord, zwak , in de rui zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ruien , ruîje , schommelen; wiegen
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ruien , ruun , ruun, eruud , ruien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ruien , ruien , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = opstoken Der zit ien tuschen te ruien (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruien , ruun , ruden, roen , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Ook ruden (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe), roen (N:Nsch) = ruien De kiepen begunt aordig te ruun, wij mut ze mar zachiesan oprumen (Ruw), De hennen, dee rot; de hoender roet (N: Nsch)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruien , ruien , ruuien, rûûn , ruien. Ook: ruuien (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: rûûn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ruien , ruun , ruien, in de rui zijn. Tiedns ’t ruun komp der gien eier.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ruien , rûize , ruien , We hébbe gin aojer mér, de kieppe zén ôn’t rûize, we zulle ze nouw moete kóópe. We hebben geen eieren meer, de kippen zijn in de rui, we zullen ze nu moeten kopen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ruien , ruien , werkwoord , opruien, stoken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruien , rúíje , met de stoel op en neer gaan
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ruien , ruuien , (werkwoord) , ruuien, eruuid , in de rui zijn.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ruien , ruie , werkwoord , schommelen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal