elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruiken

ruiken , rukken , Ruiken.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
ruiken , rûke , rü̂̂ken , (sterk werkwoord) , ruiken, rieken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ruiken , roeken , ruiken; dat rōkt an geld = dat kost veel geld.
ruik = rook, van: ruiken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ruiken , roekĕn , ruiken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ruiken  , ruuke , ruuk, rüks, rük, rook, geraoke , ruiken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ruiken , růkken , räk, eräkken; ik růkke, dů rokst [rokst], hei rok, wi, i, zei růkt , ruiken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ruiken , roekng , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: rok, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: reuk , ruiken. Geroek um t hoes, ongewenste belangstelling van jongens wegens inwonende meisjes
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ruiken , roeken , reuk, erökken , ruiken; reuken roken (vt.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ruiken , ruken , roeken , sterk werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook roeken (Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = ruiken Die jonge hef gien kaans bij det maagien; hij mag nog niet roeken, waor zij pist (Hgv), Wij hebt pannekoeken ebakken; het hele huus reuk er naor (Ruw), Spruities, ik mag ze niet roeken! (Ker), Daor moej is an ruken; volgens mij is het bedörven (Odo), Dat pak ruukt nog naor de jeude is nog splinternieuw (Bal), Dat stunk zo, ie kunden het wel een uur in de wiend roeken (Geb) *Arme lu’s pankouk en rieke lu’s stront roekt ver hen (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruiken , ruiken , ruiken, stinken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ruiken , roeken , ruiken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ruiken , roekn , ruukn , ruiken. Hie rök der an. Wie reukn ’t helemaole niet. Ik heb ereukn. Aj verkolln bint, kuj niet goed roekn; Roekn heur iej in Heerde meer dan ruukn. Wie reukn helemaole niks.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ruiken , ruuke , ruiken , Sómmege bluumkes ruuke lékker, mér ander kunne ècht stinke, mér dan ruukt 't ók. Sommige bloemen ruiken lekker, anderen kunnen echt stinken, maar dan ruikt het ook.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ruiken , roeken , werkwoord , 1. geuren 2. stinken 3. door te snuiven de geur gewaarworden, signaleren door de geur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruiken , roeken , (werkwoord) , rök, rook, eröken , ruiken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ruiken , ruuke , ruiken , ruuk t’is = ruik eens- gij ruuk lekker = jij ruikt lekker- meskes ruuke gèère lekker = meisjes ruiken graag lekker-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
ruiken , rèùke , ruijke , rukt, gerooke , ruiken
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
ruiken , ruuke , werkwoord , ruiken en rieken (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ruiken , ruke , ruuktj, roeak/ruukdje, geroeake , ruiken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ruiken , ruiken , waar jij mot gaan ruike, daar hep ik al geschete! je komt pas kijken!
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
ruiken , ruuke , rèùke , sterk werkwoord , ruuke - rôok - gerooke , ruiken, maar ook rieken, stinken; - steeds korte uu; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - kóm òn men hart, want ge ruukt nor sneevel (Handschrift Damen 1916) - schertsende liefdesverklaring; van een drinker aan zijn glas; ik ruuk geluk in 't geure van de blommen... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Geluk’, 1941); ruukte de pap van 't penneke? (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Pieterke’, 1938); Cees Robben – Ze ruuken d’n weg naor ’t Cenakel... (19570921); Cees Robben – ...en al ruukte er wè... (19540515); Cees Robben – Ge ruuket... ge pruuvet... (19570309); De Wijs – wè staode toch te snuffelen… -k’ruuk liever kruinaogels (seringen) dan snoffels (anjers), mun dalidassen staon schôon maar ruuken nie (10-03-1967); Dè [wierook] ruukte dur de hille kerk, ik vond dè wel lekker ruuke, mar daor waaren ok meense dieter hartstikke misselek van wieren. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Piet van Beers – ‘Aaftersjeef’: dè flèske meej diejen gouwen dop/ waor ge lekker van gaot ruuke. (Spoeje doemmeniemer; 2009); Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - ruike; (ruikt eens = rukt is) ui als fr. Meuse; u als in pötje; WBD III.1.1:252 'ruiken' = stinken; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ruuke (kort) / ruuke (lang) in het westen v. Midden-N-Brab. rèùke in het oosten v. Midden-N-Brab. (blz.5l); J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUEKEN, voor ruiken, rieken.; rèùke - ruiken; B rèùke - rôok - gerooke - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rökt; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.tr. en intr. - ruiken; rökt - ruikt; tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'rèùke', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal