elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruimen

ruimen , [wijken, leegmaken] , ruymen , Het 41e artikel van den gildenbrief der zilversmeden te Breda luidt als volgt: “Item waert ook dat eenig geselle van den ambagt of natie voorsch: met eeniger luyden goede, ’t sij zilver goud off juweelen, ruymde, dat men die daar na in ’t ambagt off neeringe voorsch: nimmermeer en zal mogen ontvangen, ende hij en sal dezelve neringe alhier nimmermeer daar nae doen moogen in eeniger manieren.” Ik denk ruymde hier te beteekenen: zich wegmaakte, daar ruymen bij KILIAAN ook de beteekenis heeft van loco cedere. Ware het woordje met niet tusschengevoegd, zoude men kunnen denken om het besnoeijen dier goederen. Ruymen toch heeft bij KILIAAN ook de beteekenis van snoeijen; en hoezeer hij het alleen op de boomen doet betrekkelijk zijn, zoude het niet vreemd zijn, hetzelve ook op andere voorwerpen over te brengen.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
ruimen , rumen , in: slootrumen = slooten schoonmaken, zuiveren van onkruid, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ruimen , rûmen , (zwak werkwoord) , ruimen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
ruimen , rü̂̂men , (zwak werkwoord) , ruimen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ruimen , rumen , roemen , ruimen, in: ik wil veur hōm nijt rumen = mijne plaats niet voor hem verlaten; rumen mouten = door een ander worden verdrongen en daardoor moeten ophoepelen. Eigenlijk zooveel als: het veld moeten ruimen, ruim baan voor een ander moeten maken, voor hem moeten wijken. Ook = ruimte maken: “– en woarnoa de jongs en wichter ook roemden om noa hoes te goan” = toen de jongens en meisjes besloten te vertrekken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ruimen , rümme , opruimen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ruimen , roemm , werkwoord, zwak , verleden deelwoord: eruumd , klomp van binnen meer uithollen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ruimen , rumen , roemen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook roemen (Kop van Drenthe in bet. 1., 2. en 4., Zuidoost-Drents veengebied in bet. 5., ti in bet. 2.) = 1. ruimen De wiend ruumt hogerop of De wind is wat ruumd; zo is de mist gauw vort (Sle) 2. schoonmaken (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Vroeger mus ij veul sloten rumen (Scho), Wij bint de hiele dag hen rumen west (Sti), z. ook opladden 3. opruimen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie mut dalijk de dele rumen, want zij koomt er an mit een vaor heui (Ruw) 4. weggaan, ophoepeln Die meinsen, die mussen rumen; die konden mit de buurt niet worden (Klv), Te duvekater, wat wol die hond toen rumen (Hijk), Hij mus het veld rumen (Anl) 5. ruimer maken (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe Dat gat moej nog een bittien rumen (Coe), Het pingat is te klein, dat moej wat roemen (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ruimen , rumen , zie oprumen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ruimen , ruumm , ruimen (werkw.), de plantengroei uit een beek of sloot verwijderen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ruimen , roime , werkwoord , roim, roimde, geroimd , [Obl] ruimen, ruimte maken voor een ander of voor iets anders
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ruimen , rumen , (werkwoord) , rumen, eruumd , 1. ruimen, verwijderen; 2. schoonmaken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ruimen , rumen , sloten rumen, sloot schoonmaken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ruimen , ruime , werkwoord , schoonmaken, leeg maken (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ruimen , rèùme , zwak werkwoord , "Henk van Rijen - ruimen; Van Delft - - Als de beerput vol is, ""komt de boer ruimen"" en ""nimt dan de bruid mee"". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); Dirk Boutkan (1996) - rèùme - gerömd (blz.41); WBD III.1.4:347 'ruimen' = goed opschieten met zijn werk; WBD III.4.4:199 'ruimen' = plaatsmaken; römt - ruimt; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) rèùme - hij römt; - tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'oprèùme' (met vocaalkrimping); römde(n) - ruimde(n); Cees Robben - Prent van de Week - dan römden ik de kat op; verleden tijd van '(op)rèùme'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal